Interview met Mellouki Cadat – deel 1

foto-mellouki

Foto: Claudia Kamergorotski

Er zijn maar weinig mensen die de afgelopen decennia zo langdurig en zo intensief positieve invloed op de Indische Buurt hebben gehad als Mellouki Cadat. Naar aanleiding van een gemeenschappelijke belangstelling voor Charles de Foucauld en de Kleine Zusters van Jezus, maar ook ter gelegenheid van zijn huwelijk en verhuizing uit de buurt kwam onderstaand interview tot stand. Het interview wordt gehouden en gepubliceerd in twee delen. Vandaag deel 1, dat met name gaat over de achtergrond van Mellouki.

Mellouki komt binnen en loopt meteen naar de boekenkast. Hij is net verhuisd van de Zeeburgerdijk naar de Realengracht omdat hij vorig jaar getrouwd is, en heeft twintig dozen boeken in de opslag gezet. Hij is duidelijk een enorme boekenliefhebber. Na enige tijd duikt hij weer op, is de koffie gezet en kan het interview beginnen.

Hallo Mellouki, fijn dat ik je mag interviewen. Mijn eerste vraag is: hoe heet je nu eigenlijk? Ik ken je als Mellouki, soms zie ik Brieuc-Yves Cadat en de laatste tijd ook Cadat-Lampe. Vertel eens hoe dat zit…

Brieuc-Yves is mijn Bretonse voornaam. Cadat is mijn vadersnaam, en Mellouki is de roepnaam die ik mezelf vanaf mijn 24e gaf, een verwijzing naar mijn Algerijnse wortels. Ik heet Cadat-Lampe sinds dat ik vorig jaar de naam van mijn echtgenote overnam. In Nederland mogen mannen dat sinds 1998 doen. Voor mij een vorm van emancipatie.

Grappig, mijn goede vriend Gerard van Beusekom, die ik ook onlangs interviewde voor deze website, deed dat al in de jaren zeventig. Hij noemende zich Van Beusekom-Fretz, de tweede naam naar zijn moeder trouwens, en niet naar zijn vrouw.

Je bent een man van vele verschijningsvormen. Heb je nu eigenlijk alleen de Franse nationaliteit, of meerdere nationaliteit?

Ik heb nog steeds uitsluitend de Franse nationaliteit. Ik ben in Frankrijk geboren en altijd Fransman gebleven. Ik was in 2002 in Stadsdeel Zeeburg de eerste Fransman, niet-Nederlander, lid van een Nederlandse raad.

Maar je bent toch opgegroeid in Algerije?

Ik was 14 dagen oud toen ik in de Sahara terecht kwam. Dat is een bijzonder verhaal.

Mijn moeder heette Denizat Bricaud en ze kwam uit Marsac-sur-Don. Dat is een groen buitengebied ten noordwesten van Nantes. Mijn moeder hoorde bij een trotse Bretonse boerenfamilie. Ze werd katholieke leerkracht op de lagere school en ze woonde nog bij haar ouders. Maar mijn moeder wil iets anders met haar leven, en ze gaat reizen, naar Noord Afrika, Marokko. Het is halverwege de jaren vijftig. De Algerijnse revolutie is begonnen. Mijn moeder wil ook een onafhankelijk Bretagne en is tegen de Franse republiek, die voor haar een kolonisator is.

Mijn moeder is voor de terugkomst van het Bretonse koninkrijk. Ze ziet in Noord Afrika dat men zich heeft bevrijd van de Franse juk. Het is de tijd van Frantz Fanon en de dekolonialisering. De Algerijnen hebben de wapens opgepakt. Hoe doen ze dat? Hoe pakken ze het aan? Wat kan de Bretonse beweging daarvan leren? Dat wil ze weten.

frpnb1

Vlag P.N.B.

Mijn moeder is lid geweest van de Parti National Breton, een separatische groepering, antisemitisch, ontbonden na de Bevrijding wegens collaboratie met de Duitse bezetter. De Duitsers boden namelijk het Keltische Bretagne een ideaal van onafhankelijkheid aan. Na de oorlog is ook een aantal partijleden wegens collaboratie opgepakt en berecht. Maar mijn moeder niet. Ze was van 1922, dus het had gekund. Maar mijn moeder was geen collaborateur en geen antisemiet.  Dat bleef zij na de oorlog. Zelf met begrip voor de geweldadige vleugel van de onafhankelijkheidsbeweging. Mijn moeder heeft zelf nooit aanslagen gepleegd, maar heeft wel begrip getoond voor de acties van de jongens. In haar netwerken zouden aanslagplegers in die tijd op zich wel onderdak krijgen, wist zij mij te vertellen, ook onder Bretoonse religieuze zusterskringen. Zo was dat toen onder dat soort dames. In heel Bretagne is het trouwens maar een kleine revolutionaire minderheid. Zwaar katholiek zijn ze; dat is ook een onderdeel van de Bretonse identiteit

Dus je moeder ging naar Noord Afrika om te bestuderen hoe de revolutie tegen de Fransen gemaakt zou kunnen worden?

mohammed-png

Mohammed, metgezel van Charles de Foucauld

Ja, mijn moeder gaat naar Noord Afrika in 1954. Ze schrijft zich dan in voor de missie en ze komt terecht in de Sahara. Ze wordt aangesteld door de Rooms-Katholieke kerk in de oase van El-Golea, dat betekent de deur van de woestijn. Ze hebben daar een leerkracht nodig.

Mijn vader is in 1928 geboren. Charles de Foucauld is dan al lang overleden. Maar Mohammed, zijn getrouwe gezel, was er nog wel. Mellouki bladert in een boek over de Kleine Zusters en vindt een foto van deze Mohammed.

Mijn vader heeft hem nog gekend, Mohammed.

Charles de Foucauld kiest voor de eenvoudigheid. Voor de armoede. Het laten gaan van alle materiële bezittingen. Het weinige dat je hebt, deel je met anderen. Dat is heel eenvoudig in die landen. Dat je water deelt met andere. En delen is wat de Kleine Zusters op IJburg doen. Ze delen wat ze hebben met de kwetsbare groepen op IJburg. Ze doen mantelzorg. Ze delen innerlijke rijkdom vanuit het idee van goedheid, vriendschap en liefde.

Ik ben een half jaartje in Jordanië geweest en het is me opgevallen dat in de traditionele islamitische cultuur ook veel en heel vanzelfsprekend onderling gedeeld wordt.

foucauld-1

Charles de Foucauld

Charles de Foucauld heeft het ooit op die manier overleefd, toen hij ernstig ziek was. De nomaden hielpen hem toen. Ze gaven hem geitenmelk, zeer kostbaar spul. Dat deelden  ze met een man die niet van hun religie was, simpelweg omdat ze van hem hielden en omdat hij een gast was. Foucauld leerde van de nomaden om zich om anderen te bekommeren en niets terug te vragen.

Foucauld was natuurlijk priester, maar hing verder niet af van de kerk, van het bisdom. Hij heeft zich nergens aan aangesloten.
Het enige instititoneel verband dat hij had was met zijn parochie in de Ardeche, Viviers. In Noord Afrika is hij een vrij man die doet wat hij wil. Hij koos ervoor om vrij te blijven.

Foucauld was niet van het evangeliseren en dergelijke. Hij beleefde individueel het Evangelie, van binnenuit, vanuit onbaatzuchtigheid, voorbeeld, presentie. Zijn droom was een Unie: een flexibele broederschap zonder interne hiërarchie, samengesteld uit gelovigen, priesters en leken, religieuze, gehuwd, vrijgezellen. Hij stond voor het ontwikkelen van een corps leek-deskundigen om de bevolkingsgroepen te ondersteunen. Hij was voor een scheiding van institutioneel geloof en het ondersteunen van mensen. Het geloof van Foucauld was volstrekt individueel.

foucauld-2

Charles de Foucauld (rechts) met nomaden

Hij deed niets om mensen te bekeren. Hij leefde onder de mensen. Door arm te zijn, te delen met anderen, was hij aan het getuigen.

Elders op deze website is te lezen dat je grootouders van vaderszijde zich tot het christendom bekeerden. Waarom deden ze dat eigenlijk?

Feitelijk kwam mijn grootvader, Kada, voor het eerst in aanraking met het christendom toen hij heel jong was. Tussen zijn 12e en 20e woonde hij bij een vrouw die Arabisch-katholiek was. Die vrouw was een Algerijnse wees, Anne-Henriette Delacroix, maar van eigen naam, Zohra Milik. De Rooms Katholieke kerk had toen een weeshuis in Algiers.   Daar werden wezen opgevangen, ook jonge kinderen uit het land zelf. Die is dus katholiek opgegroeid en ze had later als katholiek bij Ghardaïa in het zuiden een winkel.

ghardaia

Kaart Algerijnse Sahara

We zijn ergens rond  1896. Mijn grootvader woont verderop in de Rode Oase, Timimoun Een franse luitenant wil daar mijn grootvader, die is dan ongeveer 11 jaar, naar Frankrijk meenemen; het is onbekend waarom. Hij neemt hem dus mee, komt bij Ghardaïa aan en hoort op een gegeven moment dat Frankrijk niet toestaat om Algerijnen op het gebied van de republiek tot te laten. Hij laat de jongen dus achter bij die katholieke vrouw met opdracht om het kind op te voeden. Maar mijn grootvader blijft intussen gewoon moslim.

Kada ben Abdallah woont tot zijn 20e in Ghardaïa en dan besluit zijn opvoedster hem terug te gaan brengen naar Timimoun. Zelf reist ze met hem mee. In Timimoun trouwt hij met mijn grootmoeder, Fatima bent Ahmed ben Salem, ook als moslim. Mijn moeder is net als mijn vader een Touareg, een zwarte berber, afkomstig uit de Sahel.

timimoun

Landschap bij Timimoun

Maar sociaal is het niet gemakkelijk in Timimoun en het klimaat is niet gunstig voor Anne-Henriëtte. Op een gegeven moment willen ze met zijn allen terug naar Ghardaïa. Maar Ghardaïa halen ze niet, met de kamelenkaravaan, want het geld raakt op. Ergens midden in de woestijn, in de Oase El Goléa moeten ze zich noodgedwongen vestigen. En daar gebeuren bijzondere dingen. Allereerst ontmoetten ze er missionarissen, die erachter komen dat Anne-Henriette katholiek is. En ze worden in hun armoede geholpen door inheemse Joden die in de oase wonen en die ze uit liefde en nabuurschap middelen geven om een winkel te beginnen. Er is daar een vriendschap ontstaan die vandaag de dag nog steeds bestaat. De familie begint dus een winkel of beter gezegd een bar: ze verkopen alcohol aan militairen. Maar de zaken lopen slecht. Ze worden uit de brand gered door missionaris Vader Richard, die zorgt dat Kada werkt als tuinder krijgt. In de tussentijd zijn twee kinderen geboren.  Op 14 mei 1910 worden Kada en Fatima gedoopt. Ze heten voortaan Pierre en Marie. Regelmatig komen ze de rondtrekkende Charles de Foucauld tegen. Ze zijn de eerste christelijke zwarte berbers in de streek en de familie breidt zich uit. Mijn moeder ontmoet de dan 28-jarige zoon Joseph in 1954, als ze is aangekomen als onderwijzeres in El Goléa.

Ben jij daar ook geboren?

Nee, ik ben in Frankrijk geboren. Mijn moeder is in noordoost Frankrijk in een goed ziekenhuis bevallen. Haar zus was getrouwd met een militair en die dat kon dat regelen. Ik was trouwens het tweede kind; ik heb een zus van 57 en een zus van 54. Mijn jonge broer is bij de geboorte overleden. Mijn moeder had het risico genomen in Algerije, Laghouat, te bevallen. Zelf ben ik dus veilig in Luxeuil-les-Bains geboren in de Haute-Saône, bij de Zwitserse en Duitse grenzen. Maar daarna keerde mijn moeder met mij weer terug naar Algerije.

pmc

Pierre en Marie Cadat in El Golea

We woonden in verschillende oases uit de Sahara, eerst El Goléa, later Laghouat en Ouargla. Ik ben daar tot mijn 13e gebleven. Ik woonde dus van 1958-1971 in de Sahara. In de periode 1958-1962 heb ik in een land van oorlog gewoond. Maar het was rustig in El Goléa. Bij reizen zijn we wel eens in vechtgebied terechtgekomen, maar zonder ernstige gevolgen. Mijn ouders waren Frans en katholiek. Mij Bretonse moeder uiteraard, tegen wil en en dank.  In 1923 zag Pierre Cadat, mijn vaderlijke grootvader, die het nog tot hoofdtuinder van de gemeente El Goléa schopte, een droom werkelijkheid worden: hij kreeg de Franse nationaliteit. Mijn vader is in 1928 geboren..

Tijdens de onafhankelijkheid is het Frans leger wel eens bij ons thuis geweest, vergezeld door een helicopter, met machinegeweren en alles, op zoek naar sporen van contact van mijn ouders met het Algerijnse verzet. Vader was dus katholiek en lid van de RK Charitas, en die hielpen de familie van verzetstrijders wel eens. Zij vonden niets. Uiteindelijk wonnen de verzetsstrijders en Algerije werd onafhankelijk op 3 juli 1962.

Jullie zijn blijkbaar niet vertrokken bij de onafhankelijkheid, maar nog tot 1971 gebleven. Hoe zat dat in elkaar?

familie

Marie Cadat, Denizat Bricaud, Anne-Gaelle Cadat, Pierre Cadat, Brieuc-Yves Cadat, Joseph Cadat. Locatie: El Golea (rond 1962).

Na de onafhankelijkheid mochten de Fransen die wilden, blijven. Die hadden een eigen vertegenwoordiging in het Algerijns parlement. Maar er volgde al snel een staatsgreep. De Fransen vertrokken massaal: ongeveer 1.000.000 Fransen met medeneming van tienduizenden autochtone moslims..

In 1965 werd in Algerije een putsch gepleegd door Boumédiène. Ben Bella gaat naar de gevangenis. Tegelijkertijd groeit een integristisch-islamitische bedreiging. Sommigen hebben het op een gegeven moment gemunt op de overgebleven katholieken. Het wordt bekend dat er aangeslagen worden voorbereid op de zwarte katholieken in El Goléa. Het is dan de Rooms Katholieke kerk die de vlucht van mijn familie organiseert, in totaal een paar honderd mensen. Ze verhuizen met zijn allen van El Goléa naar de Ardèche.

Mijn grootouders waren de eerste zwarte katholieken in de Sahara. Die zijn er tegenwoordig dus niet meer. Er zijn op dit moment nog wel een paar honderden katholieken, Europeanen die toch zijn gebleven en later aangekomen, leken, priesters en zusters, en Arabische katholieken. En er is nog steeds een bisdom van de Sahara, er zijn culturele centra, scholen, etc. Mijn moslimse familie bestaat daar in 2017 nog steeds. De kinderen leren Frans bij de Witte Paters. Ik ben zelfs nog geabonneerd op het electronisch bulletin van de Église d’Algérie; dat is heel oecumenisch gericht, die zoeken contact en samen zijn.

witte kathedraal.jpg

Witte Kathedraal

De Kleine Zusters zijn er inmiddels wel weg, wegens te weinig roepingen. In zijn jeugd woonden ze er nog wel, bij de zogenaamde kathedraal van de woestijn, in El Goléa. Ze woonden onder de grond, daar was het koeler. De Witte Paters zijn er nog steeds.

Heb je veel contact met je familieleden in Frankrijk?

Ik heb jammer genoeg weinig contact meer met de zwarte katholieke gemeenschap in Frankrijk. Zij schamen zich voor hun Algerijns verleden. Ze gaan ook niet meer met mij om. Ik heb onze Algerijnse identiteit ontdekt en dat vonden ze niet leuk. Ze wilden eigenlijk niet dat de mensen in hun omgeving weten dat grootmoeder een moslim was. Sommigen vertellen zelfs dat ze uit de  eilanden komen. Het is een soort ontkenning van de moslim- en Algerijnse kant. Ik begrijp het wel ergens, want Fransen zijn enorm racistisch naar Arabieren en moslims toe. Het is een manier om zich te beschermen.

Ze hebben mij ook wel bedreigd, fysiek en met processen. Ze hebben mijn moeder beschuldigd dat ze mij heeft aangezet deze verhalen op te schrijven. Ik heb nu incidenteel contact met enkelen. Ik word niet meer uitgenodigd voor de familiereünie en ben nu een buitenstaander geworden. Dat komt vooral door een artikel dat ik schreef. Toen ik 18 was, begon ik me voor mijn achtergrond te interesseren. Ik ben op mijn 30e er ook over begonnen te schrijven. En toen is het misgegaan, toen ik in een tijdschrift van de RK kerk een uitgebreid artikel publiceerde, Les Cadat, Chrétiens noirs du Sahara. Mijn moeder vond het goed, maar de rest van de familie dus minder. Ik heb bijzonder genoeg nu wel contact met mijn moslimfamilie in Algerije, hoogopgeleide mensen, die heel blij zijn met die artikelen.

Even een andere vraag: waarom en wanneer ben je naar Nederland gekomen?

Dat was dankzij de liefde. In het kader van een internationale jongerenorganisatie SOS Racisme: Blijf af van mijn makker was ik in 1985 betrokken bij het organiseren van een internationale jongerenreis, van Parijs naar Stockholm en terug. Bij SOS Racisme was ik lid van de landelijke staf.  SOS Racisme had geen officiële kleur, maar was een heel spectrum van civil society en linkse organisaties, van sociaaldemocraten tot trotskisten. Ik zat er zelf in als tweede generatie migranten uit Algerije, anderen waren weer vanuit de vrouwenbeweging, de homobeweging, de ecologiebeweging, etc. Het was vrijwilligerswerk. Ik was student politicologie, werkte als maître d’internat voor het Ministerie van Onderwijs, en was acteur bij de Theâtre de l’Air (Artistes Immigrés Réunis), de multiculturele toneelgezelschap van regisseur Marieline Ampigny.

Het was de bedoeling om in augustus ‘85 een groot aantal steden aan te doen en daar over gelijke rechten en antiracismebeleid in dialoog te gaan zowel met de overheid als met de civil society. Ik was belast met het organiseren van ontmoetingsactiviteiten in Hamburg en Amsterdam, zoals bijvoorbeeld met de Anne Frankstichting, Jongeren tegen racisme en het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland/KMAN. We zijn ook nog bij Ed van Thijn geweest. In Amsterdam werd ik verliefd. Wij woonden een tijd in Parijs. Uiteindelijk besloot ik in 1987 om mij definitief in Nederland te vestigen.

Interview door Rogier Schravendeel

Lees ook deel 2 en deel 3 van dit interview met Mellouki Cadat.

Advertenties

3 gedachten over “Interview met Mellouki Cadat – deel 1

  1. Pingback: Inspiratiebronnen: mijn oma en Charles de Foucauld | Brieuc-Yves (Mellouki) Cadat-Lampe

  2. Pingback: In gesprek met Rogier Schravendeel, deel 1 | Brieuc-Yves (Mellouki) Cadat-Lampe

  3. Pingback: Interview met Mellouki Cadat, deel 3 | De Indische Buurt in Amsterdam Oost

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s