Interview met Mellouki Cadat, deel 2

Wat is je politieke ontwikkeling sinds je jeugd? Ben jij vroeger een katholieke jongen geweest?

jeunesseJa, ik kom van het Catholicisme social, Rerum Novarum, zeg maar. Ik was 13 en al lid van de Jeunesse Étudiante Chrétienne (JEC). Ik ging naar de kerk tot mijn 16e. Ik wilde zelfs priester worden. Vanuit een charitatief insteek. Ik had het voorbeeld van mijn ouders gezien tijdens de Algerijnse revolutie. Hun christelijke inzet voor de meeste kwetsbare. Toen betekende dat vooral tussen 1954 en 1962 ondersteuning van de families van fellaga’s, de vrijheidsstrijders via de Action Catholique. En daarna inzet in de officiële Charitas van Algerije die enkele dagen vóór de onafhankelijkheid van 5 juli 1962 is opgericht. En bestaat nu 54 jaar. Dat heeft me wel geïnspireerd. Het voorbeeld van mijn ouders, het voorbeeld van Foucauld heeft ervoor gezorgd dat ik maatschappelijk bewust ben geworden. Ik ben doordrenkt door het maatschappelijk en spiritueel verhaal van Foucauld. Toen ik in die oase leefde, volledig in de Franse Rooms-Katholieke sfeer – we spraken ook alleen Frans thuis – groeiden we met dat verhaal op. Ik heb daar nooit afstand van genomen. Ik ben er zelf nolens volens ook nog steeds van doordrenkt.

Ik kwam in 1971 op mijn 13e in Frankrijk terecht. Toen ik 15 was zat ik op het Gymnasium in Montpellier. Ik verkeerde nog volledig in Rooms Katholieke kringen, en in die kringen op school kwam ik voor het eerst jonge militanten tegen, jongeren van de Jeunesse Étudiante Chrétienne, de JEC. Ik word dan militant, in 1973, vijf jaar na de revolutie van mei 1968.

Dus je werd een linkse christen?

Ik kwam daar op school tot een zeker politiek bewustzijn. Ik woonde zelf met mijn familie in een kleine gemeente, Lattes, met vooral mensen uit de omgeving. Daar gebeurde niet veel. Omdat ik de inspiratie had vanuit mijn ouders en Foucauld, was ik zoekende. Met een sociaal engagement. Zo was ik was vanzelfsprekende op school klassenvertegenwoordiger. Ik was een serieuze jongen. Ik ging niet naar de disco. Voor mijn ouders waren de Beatles en de Rolling Stones een satanisch verhaal. Maar in Frankrijk kwam ik aan in een wereld van de Beatles en de Rolling Stones. Iedereen was daarmee bezig.

En ik ga kijken: wat kan ik daar mee? En dan kom ik in 1974 in Montpellier, op school, de JEC tegen. En dan de grote grap. Ik ben van karakter zelf een activist iemand: dus niet alleen praten, maar ook doen. Dus loop ik op school flyers te verspreiden van de Jeunesse Étudiante Chrétienne, vooral scholiereneisen en dergelijke. Vervolgens komt er een klaasgenoot naar mij toe die heel blij met me is, een zekere Spinoza met een rond gezicht en een rood T-shirt met daarop de tekst Jeunesse Socialiste en lange haar. Hij zegt: wat leuk dat je aan het folderen bent voor de Jeunesse Étudiante Communiste! Dat was wel heel bijzonder. Hij had me tot nog toe in de klas gezien als een wat rechtse jongen, en hij was heel blij dat ik communist was! Verbaasd en teleurgesteld dat ik geen lid was van zijn JEC was hij wel na wat uitleg, maar binnen de kortste tijd stonden wij zij aan zij te flyeren voor de belangenbehartiging van scholieren. Kameraden in de strijd tegen het wetsvoorstel van Fontanet, de toenmalige centrumrechts minister van onderwijs!

jeunesse2Dit is mijn entree in de politiek geweest. Ik ben van het doen, van het maatschappelijk engagement.

Wat is het impact van de ontmoeting met het communisme geweest op je christelijke engagement?

Ik ben nog wel christen gebleven; ik zat bij een soort libertaire christelijke stroming. Dat waren linkse christenen. Zonder dat ik nou zelf dacht dat ik links was. Ik voelde enerzijds ook wel rebellie ten opzichte van mijn heel strak orthodoxe familie, maar ik wilde toch ook wel binnen het jasje blijven. Dus ik werd een linkse christen. Grote indruk hebben op mij gedaan jongerenontmoetingen in de geest van Taizé. Meisjes en jongens door elkaar; sociale vraagstukken bespreken, samen in de natuur bidden, zonder priester erbij. Ik was daar helemaal niet aan gewend. Tot Vaticaan II keek ik alleen naar de rug van de priester.

Het was voor mij een bevrijding. Het was in de kerk en het mocht van mijn ouders. Het mooiste moment was het gevoel van het samenzijn, dat je je kunt openen naar anderen. Ik heb tijdens ééns van deze ontmoetingen, een ervaring van de Heilige Geest gehad, in Sète. Daar ben ik drie dagen van de kaart geweest.

Uit de Rooms Katholieke kerk kende ik alleen de geslotenheid. Je wordt ingesloten tussen de hel en de hemel. Vaticaan ook na Vaticaan II dat was om de 6 weken biechten en je werd ook gestraft voor je zonden. Wij hadden heel streng orthodoxe beelden van de wereld.

goelag2Het was voor mij dus een bevrijding. Ik ging ook christelijke dingen lezen met een communistische kijk. Een jonge Jezuïet gaf mij De Goelag Archipel van Alexandr Solzjenitsyn, net verschenen in Frankijk, enorm actueel toen. Dat zijn christelijke boeken met een sterke sociale insteek, vanuit het perspectief van mensenrechten, humanisme en vanuit het gezichtspunt van de onkreukbare dissident. Dat was voor mij ook een enorme eyeopener, gaf mij toen een andere soort verbinding met het christelijk geloof en het verhaal dat ik begon te ontdekken, dat van het communisme. Alexandr Solzjenitsyn was wel kritisch, maar hij erkende ook de kracht van de communistische gedachte. Hij stelde met name de ontaarding aan de kaak, de vernietiging van het spirituele. Dat is voor mij een heel belangrijk boek geweest, De Goelag Archipel. Een intellectuele ontdekking. En het ontdekken van een vriendelijke kring, gemengd, jongens en meisjes. Ik ontdekte de Heilige Geest. Die ervaring heb ik later nooit meer gehad. Later heb ik die hele ervaring weg gepsychologiseerd.

Wat mij uit die periode is overgebleven is dat maatschappelijk engagement en het zoeken naar de verbinding. Ik heb ontdekt dat de gezamenlijkheid in de strijd iets heel belangrijk. Ik herinner me vooral de ontmoeting met die communistische jongen. De vreugde van het samen zijn. Dat is voel ik ook in de Indische Buurt. Je kan Marokkaan zijn, PVV-er of van de D66. Maar wat doe je samen voor de buurt? De identiteit in datgene wat je samen doet is veel belangrijker dan je identiteit als witte, zwarte of wat dan ook. In die gezamenlijkheid ligt de mogelijkheid. Je kan atheïst zijn tegenover een salafist. Ze zullen elkaar naar het leven staan, maar bij het lokaal samen dingen doen liggen de kansen. En mijn inzet is de kans, hoe klein ook, te pakken, in portiek, straat, stadsdeel, land en overal. Als iemand me nu zou aanspreken in een rol waarin hij me wil vastpinnen, zou mijn boodschap zijn: ga zo snel mogelijk voorbij met je vastpinnen van mensen op rollen. Ga vooral kijken wat kun je samendoen. In dialoog, in discussie, in conflict of harmonie. Of anders. Ik begrijp ook wel dat niet alles rozengeur en maneschijn is.

Spring je van 1974 naar naar mijn jaar van aankomst in Nederland in 1989, of nnaar nu anno 2017, dan ben ik in zekere zin niet veranderd. In de situatie van sociale professionals zou je je eigenlijk altijd bewust moeten zijn van de analyse van Hans Achterhuis in zijn beroemde De markt van welzijn en gelukt uit 1979. In de systeemwereld vormt de sociale professionals een nomenklatoera die voor eigen belangen opkomt en niet alleen vooruitgang maar ook afhankelijkheid van hun doelgroep creëren. Dat kunnen harde of zachte belangen zijn. Als je vanuit de positie kijkt: wat voor positie kies je? Ik heb twee posities gekozen die in principe leiden tot een spagaat. De positie van actieve bewoner heb ik altijd gehad. Ik ben professioneel welzijnswerker vanaf 1997. Maar sinds 1974 ben ik al in de positie van actieve burger.

Ik kan me voorstellen dat je in de Indische Buurt zowel als burger wilt functioneren als welzijnswerker. Maar is het niet vreselijk moeilijk die rollen te blijven onderscheiden? Het wordt zo gauw corrupt…

Wat is corrupt? Als je bedoeld in moreel opzicht aangetast denk ik dat je een punt heb. In 1997 kwam ik bij het Noordhollands Participatie Instituut (NPI) terecht. Een verzameling van verzuilde organisaties, helemaal onderdeel van de provinciale welzijnsstructuur. Ik kwam daar via kennissen die daar werkten en die ik had leren als vrijwilligers bij het KMAN, het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland.. Twee Nederlandse sociale professionals waaronder een karmeliet. Ik was daarbij ook vicevoorzitter van de door de voorzitter van het KMAN, Abdou Menebhi opgerichte Nederland Bekent Kleur. Die was ik tegengekomen in Parijs in mij tijd bij de landelijke staf van SOS-Racisme, blijf van mijn makker. Ja, ook was ik sterk betrokken bij de antiracisme strijd voor gelijke rechten.

Mijn kennissen waren allebei opbouwwerkers en allebei afkomstig van het Katholiek Maatschappelijk Centrum. De eerste was Gerard Kempen. Gerard was van de Karmelieten en had ervoor gekozen als priester onder de mensen te leven, in dienst van de samenleving. Gerard Kempen was vrijwilliger bij het KMAN. De andere persoon was Pieter Kersten. Ooit was hij lid van het Nederlands ballet maar kreeg een ongeluk. Na een verblijf in Iran koos hij definitief voor het maatschappelijk engagement, als vrijwilliger. We hadden goed contact, spraken over elkaars achtergrond. Pieter was een fanatieke fotograaf en reiziger. Hij kruiste met de landrover door de Sahara heen en is zelfs in El Goléa, bij mijn familie op bezoek geweest. Dat is de fotograaf waarover Anton Grunberg het over had jaren geleden in zijn NRC-relaas van de trouwerij van Abdou Menebhi in Kenitra in aanwezigheid van Khadija Arib.

En zo kwam ik in het welzijnswerk terecht.

Nog even terug naar de periode tussen 1974 en 1989. Wanneer voltooide je het gymnasium?

Ja. Er is een belangrijk breukmoment geweest. Ik was toen 16 jaar oud, wij waren naar Avignon verhuisd, ik had 8 uur filosofie per week en las op een gegeven moment de biografie van Freud. Ik had een hele goede filosofielerares die zich ook persoonlijk echt bekommerde om leerlingen. Om een lang verhaal kort te maken: aan het einde van het lezen van de biografie geloofde ik niet meer in God.

Wat raakte je het meest in Freud?

mansmindDe behoefte aan de erkenning van een autoritaire vader en dat alles daaraan onderworpen is. Of het nou Mozes is of iemand of iets anders. Ook de ontmoeting met de Heilige Geest ging ik uitleggen vanuit de psychoanalyse: iets dat zich tussen bewust en onbewuste afspeelt. En dan die vadersfiguur: dat was mijn vader. In de Sahara is mijn vader is weleens met de auto gestopt in de woestijn, om me het verhaal van Abraham en diens offer te vertellen. En hij vertelde me daar dan nadrukkelijk bij dat hij dat zelf ook zou doen, zijn zoon offeren als God dat vroeg.

Meisjes waren de satan, stelde mij vader. Ik mocht daar niet naar kijken. De man is de autoriteitsfiguur die mooie dingen lelijke maakt, gevoelens kapot maakte. En dat was verbonden met de mis, met de Rooms Katholieke instelling.

Dit alles werd verklaard door de theorie van Freud. En ik was er klaar mee.

Direct daarop en daardoor ontstond er een heftige periode van conflict met mijn familie. Dat was in Avignon. Mijn vader was daar ambtenaar voor het ministerie van Landbouw. Vader zei zoiets als: Hou je bek, en als je met dat verhaal doorgaat, ga je eruit. Hij gaf geen enkele ruimte. Ik op mijn beurt, nam een autistische houding aan zei thuis niets meer en wachtte steeds tot ik weer weg kon gaan. Gelukkig had ik de steun van mijn moeder. Ik kon mij opleven in de filosofische studie. Ik ontdekte op school theater met Enrique Baeza, een theatermaker uit Chili, politiek vluchteling. Wij spelden Antigona op school en in het off-festival van Avignon. Ik was Creon… Toen ik rechten ging studeren ben ik zo ver mogelijk weg gegaan van huis: terug naar Montpellier.

psasunakisDit is voor mij een heel belangrijk breukmoment geweest. In Montpellier ben ik ook niet meer in de buurt van linkste christenen, maar ga ik volop in dialoog met de politieke filosofie: Michel Miaille was mijn hoogleraar in de eerste jaar. Een marxist die zijn loopbaan begon in socialistische republiek Algerije van de eerste jaren. Je begrip wel dat wij een kritische kijk op recht krijgen, niet alleen de pyramide van Kelsen maar vooral Evgueni Paschoukanis tot Balibar via Trotsky, de psychoanalytische analyse van Rechten op basis van de werken o.a. van Freud enz.. Dat is voor mij een enorme eyeopener geweest. Het lezen van Freud, van de kritische marxisten, was voor mij als het ware uit de grot van Plato stappen, en de wereld met een hele andere bril gaan zien. Vanuit die breuk en deze nieuwe kennis, ben ik me gaan oriënteren op allerlei linkse stromingen. Ik was in eerste instantie vooral geïnteresseerd in Freud. Dat basisboek van Freud heb ik door en door gelezen. Heel belangrijk voor mij was ook zijn werk Mozes en het monotheïsme: een heel belangrijke verhandeling over de godsdienst. Ik denk en handel nu niet meer zo scherp, vers en radicaal als toen, maar het is een heel belangrijke breuk geweest en een basisvorming.

Interview door Rogier Schravendeel

Lees ook deel 1 en deel 3 van dit interview met Mellouki Cadat.

Advertenties

2 gedachten over “Interview met Mellouki Cadat, deel 2

  1. Pingback: Interview met Mellouki Cadat, deel 3 | De Indische Buurt in Amsterdam Oost

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s