Interview met Mellouki Cadat, deel 3

foto-melloukiGoedenavond Mellouki, welkom voor het derde en laatste deel van ons interview. Zou je om te beginnen willen vertellen waarop je op 15 maart hebt gestemd?

Ik kan je dat helaas niet vertellen. En weet je waarom niet? Ik heb geen Nederlandse nationaliteit! Daarom mag ik niet stemmen. Ik ben Frans. Bijzonder genoeg kan ik wel weer op lokaal niveau stemmen en gekozen worden, via het passief en actief kiesrecht voor  ingezetenen die geen Nederlanders zijn, krachtens Artikel 130 van de Grondwetwijziging van 1983. Nederland maakt op lokaal niveau een onderscheid tussen burgerschap en nationaliteit. Dit heeft te maken met de politieke consensus in Nederland over het belang van integratie van migranten op lokaal niveau.

Op provinciaal niveau en op landelijk niveau zijn buitenlandse ingezetenen uitgesloten van politiek burgerschap. Omdat ik een Europees onderdaan ben, heb dan wel weer actief en passief kiesrecht voor het Europees parlement. Dit heeft te maken met de soevereiniteit van Nederland, met name op het gebied van diplomatie en defensie. Vandaar dat ik dus niet landelijk mag stemmen, maar wel weer Europees. Grappig eigenlijk wel. Het lijkt wel alsof het Europees en het lokaal niveau andere politiek zijn dan het landelijke, d.w.z. ontdaan van de matrix van het nationalisme. Burgerschap speelt zich dan heel dichtbij, of juist heel ver van de burger af.

Wat had je gestemd als het gemogen had?

nevinklein

Geliefd wethouder Nevin

In 1990 ben ik lid geworden van GroenLinks. Ik heb voor deze partij van 2002-2006 in de raad van stadsdeel Zeeburg gezeten. Twee jaar geleden ben weliswaar lid van de PvdA geworden, maar ik zou deze keer toch op de partij van Jesse Klaver stemmen. Verder is voor mij wat de politici zelf hebben bereikt en wat ze voor staan bepalend. Daarom zou ik op de lijst van GroenLinks persoonlijk voor Nevin Özütok kiezen. Als actieve bewoner in de Indische Buurt werk ik al jaren met haar samen als bestuurder. In de Tweede Kamer is zij voor ons straks een stem uit de buurt. Via Twitter heb ik daarom ook opgeroepen om voorkeurstemmen op haar uit te brengen. En het is haar ook gelukt: de kiesraad heeft op 22 maart bekend gemaakt dat zij één van de 54 vrouwen is die gekozen zijn voor de Tweede Kamer. Sociaaleconomisch gezien ben ik trouwens veel meer van de PvdA, en ook van de SP. Maar de stalinistische trekjes van de SP bevallen mij niet.

Hoe analyseer jij de huidige politieke situatie in Nederland en in Europa?

Ik zou zeggen: wij vliegen onder een hele lage en dikke laag donkere wolken, met onweer, bliksems, met nijdigheid. Maar dan zeg ik ook: Rogier, weet je wat het is: boven de laag wolken is altijd de zon, in een heldere hemel. Het gaat dus om op te stijgen door de laag donkere wolken heen. Maar je vliegtuig kan er aan kapot gaan.

Met name de huidige dominantie van het financieel kapitaal ziet er slecht uit, zie Piketty. Vanwege de ongelijke termen van economische uitwisseling; is er een nog steeds bestaande en zich verder ontwikkelende kloof tussen Noord en Zuid. De ongelijkheid in de interactie tussen de landen aan de macht en de landen in de periferie wordt mondiaal alleen maar groter. De overgrote meerderheid van de 7 miljard mensen op deze wereld wordt in de tang gehouden. Zolang we in een systeem verkeren waar macht gepaard gaat met economisch belang komen we er nooit uit. In die zin ben ik pessimistisch. Ik geloof helaas wel dat deze vorm een basisfeit is en het gedrag van staten, landen, mensen determineert.

Vliegwiel-Doe-democratie-500De andere kant is er de kracht van vernieuwing, democratische vernieuwing, van verdieping van de democratie. Denk aan de vele strijden voor rechtvaardigheid. Het kan zich uitdrukken in klassieke vakbondsstrijd, electorale verschuivingen maar ook in democratische vernieuwing via sociale bewegingen als Occupy en Doe-democratie. Voor mijn werkgever MOVISIE heb ik trouwens het Vliegwiel van de doe-democratie bedacht.

Ja, wij leven in een tijd van transitie en transformatie…

Is dat niet een voorbeeld van iets wat niet heeft gewerkt, Occupy?

Daar ben ik het niet mee eens. Er zijn vele vormen van collectieve organisaties voor een betere samenleving, en die zijn heel verschillend. We hebben heel veel vormen van politieke onderdrukking, maar ook heel veel vormen van creatief verzet. Politieke partijen verliezen weliswaar hun stabiele electorale basis, maar er komen andere coalities en andere manieren van doen.

Ik stel dat het basisvertrouwen in de klassieke democratie met klassieke partijen die bij klassieke sociaal economische groepen horen, blijft bestaan. Het gaat wel zweven en schuiven, maar alleen binnen een context dat een en ander onder druk staan, zoals op dit moment.

Ik zou het zo willen stellen: als men niet meer gehecht is aan waarden en tradities, waarom spreekt 98 procent van de Nederlanders zich dan voor het handhaven van Zwarte Piet uit? Hoe komt het dan dat Geert Wilders zoveel ondersteuning krijgt? Er is een reactionaire onderstroom die stevig staat in Nederland. Mensen zoals jij en ik die naar een participatieve democratie zoeken zijn er ook, misschien iets van 10-15 procent van de bevolking. Dat is maar een kleine stroom. Maar Wilders is in onze Trias Politica absoluut in toom te houden. Toegegeven, hij zou levensgevaarlijk kunnen zijn zijn in een staat waar de Trias Politica niet stevig geworteld is. Maar we hebben in Nederland een heel sterke Trias Politica. Wilders zal in toom gehouden worden. We zijn stabiel. De politieke partijen wankelen, maar de democratie wankelt niet.

Ben je trouwens, als voormalig vrijwilliger van het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland/ KMAN, vorige week ook naar de presentatie van het boek Een halve eeuw in Nederland. De Marokkaanse arbeidsmigratie 1969 – 2019 geweest, in de Meevaart? Het boek is deels geschreven door Ineke van der Valk, voormalig partner van voorman Abdou Menebhi van het KMAN en zelf ook militante van destijds.

Kman-1976Nee, toen kon ik jammer genoeg niet. Ik heb iets leuks met mijn zoon gedaan die avond, dus dat paste niet. Over onderzoek naar het KMAN en de Marokkaanse militanten van toen en nu gesproken, is misschien leuk te melden dat ik 20 jaar geleden bij het Mozeshuis op verzoek van Ineke in het panel zat waaraan haar boek Twintig jaar KMAN in Nederland, een uitgaven van het Instituut voor Publiek en Politiek/IPP van Eisse Kalk, gepresenteerd werd. Destijds was ik UvA-promovendus, AIO bij de politicoloog Meindert Fennema. De promotie heb ik niet gehaald. Ik schreef wel artikelen, o.a. met Fennema, bijvoorbeeld in het Amsterdams Sociologisch Tijdschrift van 1996; een publicatie waarin wij het betoog van migrantenpolitici ontleden: ‘Cadat Fennema Het zelfbeeld van migrantenpolitici’. Ik heb de meeste van de Amsterdamse actieve Marokkaanse politici van toen geïnterviewd, naast andere politici met een andere etnische achtergrond. Ik denk dat onze analyse van toen nog steeds geldig is en een relevant licht werpt op het handelen van migranten in het politiek veld.

Ik ben nogal bezig met het archief van het KMAN op het ogenblik, in het kader van een geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt. En ik zit al een tijdje met de volgende brandende vraag: denk je dat de militante houding van het KMAN in de jaren tachtig ongewild misschien wel heeft geleid tot verdere isolatie van de Marokkaanse groep?

Dat is een heel suggestieve vraag. Er zijn enkele relevante elementen. We hebben te maken met a. een organisatie: het KMAN; b. met een sociale klasse: de arbeidersklasse, c. een etnische groep: de Marokkanen in Nederland; en tenslotte hebben we te maken met een gezeten samenleving.

En om het in de termen te benaderen volgens het heuristisch model van Penninx: we zitten midden in het spanningsveld van de positietoewijzing aan een groep, de Marokkanen, Marokkaanse arbeiders in Nederland. En hoe zit het nu in het spanningsveld tussen enerzijds positietoewijzing aan de groep, en anderzijds positieverwerving van de groep door de groep zelf? Penninx schrijft trouwens ook in de jaren zeventig het rapport Etnische minderheden voor de Nederlandse regering.

Het KMAN was destijds een basisorganisatie die door sociaal-politieke strijd de onzichtbare Marokkaans arbeidersbevolkingsgroep wil optillen tot een bewuste actor in Nederland en Marokko. Het kader van het KMAN is marxistisch en analyseert de wereld in termen van klassenstrijd, wil in Marokko het regime omverwerpen.. Men zet zich sterk af tegen de Amicale en de moskee, want daarin ziet ze de lange arme van Rabat enerzijds en de opium van het volk anderzijds. Het KMAN dacht een voorhoede te zijn. Men dacht dat het mogelijk was het zuurdesem van de revolutie te verspreiden onder de Marokkanen in Nederland.

De Nederlandse samenleving wijst een positie toe aan de Marokkaanse Nederlanders en isoleert ze daarmee. Met name Nederland kiest voor verzuilen in die jaren, met onderwijs in de eigen taal en dergelijk. Dat versterkt maar verzuilt tegelijkertijd. Marokkanen zitten gevangen in een zuil waarvoor een economische basis bestaat. Er is nauwelijks elite, geen middenklasse. Dit resulteert voor velen, in alle generaties, in sluipende sociaal-economische marginalisering en een etnisch-cultureel verval. De Amicales en de moskeebesturen in die tijd werkten zeker mee aan de isolatie. De positieverwerving matcht hier met de positietoewijzing.

Bij het KMAN zie ik wat anders: de leiding wil absoluut sociaal-culturele rechten – zo organiseerde het KMAN bijvoorbeeld de Moussem – maar wil in Nederland een positie bereiken vanuit primair de sociaal-economische situatie van de arbeidersklasse. Het KMAN van toen is duidelijk internationalistisch. Dat breekt direct de gedachte van etnisch-culturele en religieuze isolatie. Het KMAN gaat bijvoorbeeld in die jaren al een alliantie zoeken met het COC Nederland, met vrouwen, met de Nederlandse vakbonden, met de Anti-Racisme beweging. Zelf afkomstig uit SOS Racisme, blijf van mij makker, uit Frankrijk, heb ik samen met Abdou Menebhi jarenlang in het bestuur van Nederland bekent Kleur/NBK gezeten. Abdou was voorzitter en ik was vice-voorzitter. NBK, dat was een brede, internationalistische  alliantie van maatschappelijke organisaties voor gelijke rechten, tegen antisemitisme, tegen racisme, tegen homofobie, voor een feministische en groene samenleving. Abdou bekleedde een dubbelfunctie als voorzitter van het KMAN en voorzitter van NBK. Hij belichaamde de link tussen progressieve Marokkaans-Nederlanders en de vooruitstrevende gremia in de Nederlandse samenleving. Dit schepte familiariteit en vertrouwen, maakte ruimte voor gezamenlijk actie. Zie daar de basis voor interculturele samenwerking

Ik bedoel ook dat het KMAN ongewild een isolerende rol heeft gespeeld. Door hun militante aanpak, ondersteund door de organisaties die jij noemt, joeg ze als het ware een grote groep naar binnen, de moskee in. Onder het mom van fascistenjacht. Omdat voor die groep de stap naar het COC en gelijke rechten veel te groot was.

antifacistentegenamicales2

Het KMAN belegert met anti-fascistische bondgenoten een verzamelgebouw voor Marokkaanse organisaties aan de Borneokade vanwege vermoede aanwezigheid Amicales, 1981

Het internationalisme, mensenrechten, samen een vuist maken heeft in de praktijk het KMAN parten gespeeld. De organisatie heeft zich als het ware vervreemd van de grootste deel van de eigen achterban. Dat is de tragedie van een linkse voorhoede die in de dagelijks praktijk te maken heeft met een reactionair achterban, anti-homo, antisemiet enz. Het KMAN heeft vanaf het begin te maken gehad met reactionaire religieuze organisaties die representatief zijn voor een groot deel van de Marokkaans-Nederlanders. En beide kanten werden erkend door de Nederlandse lokale overheid. En dan gaat het beeld verschuiven. Het gaat niet langer alleen maar om links versus rechts en laicistische versus religieuze opvattingen. Subsidiebelangen komen in beeld. Erkenning door de Nederlandse overheden betekent namelijk ook sociale, politieke, culturele en financieel-economisch belangen en invloeden van het kapitaal. In de praktijk gaan dan organisatiebelangen, personenbelangen, jaloezie naar elkaar toe en dergelijke een rol spelen, en soms een te grote rol. Er ontstaat dan een klassiek-bureaucratische laag van bestuurders: religieuze en seculiere leiders die soms samenwerken en soms elkaar bevechten. Er is onderlinge jaloezie, er zijn sociaal economische belangen en dat gaat mede het bewustzijn bepalen. Men gaat ook op deze wijze eigen missie en visie verwaarlozen. En dit geldt met name in het eigen linkse kamp.

Maar vergeet niet, we zitten in die tijd voor 1989, de val van de muur, de wereld is in tweeën verdeeld. Je hebt een links-rechts strijd. Enerzijds is het KMAN verwant aan het stalinisme en hebben ze een starre houding, en in die context strijdt men vooral in eigen land, in Marokko en daarbij nog vooral in eigen kring in Nederland. Het blijft allemaal niet meer zuiver op een gegeven moment.

Je bent al vele jaren betrokken bij de Indische Buurt. Kun je vertellen wanneer je er gekomen bent en hoe je het vond om er te arriveren? Wat voor indruk maakte de buurt op je?

Vaderliefde, dat was mijn eerste indruk. Ik woonde met mijn partner van toen bij haar moeder in Zuid. Annie M.G. Schmidt, Sybren Polet en zijn kat en de Quakers waren onze buren. Toen kregen mijn voormalig partner en ik in 1995 Dewi, onze zoon. Ik stond in die tijd keurig ingeschreven bij de woningcorporatie. Wij hadden vanwege onze zoon recht op een driekamerwoning, die we vonden in Amsterdam Oost, in de Roomtuintjes. Die straat is trouwens bekend van de bewonersstrijd, ondersteund door de Bommel en c.s vanuit de Arbeidersbond van Beeldkunstenaren. Vader- en moederliefde, ouders worden gaf ons gezin een kans op een sociale huurwoning, en zo kwamen wij in de buurt terecht. Onze relatie liep stuk en vijf jaar later – 2000 – woonde ik alleen op de Zeeburgerdijk. Ik heb er tot 2016 gewoond.

De eerste indruk van de Indische Buurt was: een mensenbuurt. Ik kwam uit een bekakte buurt: de Vossiusstraat bij het Vondelpark. De enige die me daar op straat groetten waren de Quakers. Maar de anderen: ik weet nog goed dat ik mijn fiets vast maakte en dat de buren op het raam klopten omdat ze een zwarte zagen waarvan zij dachten dat die een fiets stalen. Ik heb niet echt van die buurt genoten, behalve de rust, het Vondelpark, de Quakers en de liefde.

En dan de verhuizing van de witte buurt die Vuijsje beschrijft in ‘Allemaal maar nette mensen’ naar een multiculturele buurt. Het was een verademing. Een ontmoeting met kleurrijk Amsterdam. Hier voelden wij ons thuis. In deze buurt voelde ik me veel meer op mijn gemak. Ik kon me herkennen in de mensen om me heen. Een heel positief volksgevoel. Goed volk.

Toch gaf je vorig jaar bij je toespraak bij het eenjarig bestaan van de Archipel ook aan dat je je wel ongelukkig op het Makassarplein hebt gevoeld.

Makassarplein Gaudi Toen

Makassarplein toen

Binnen een positief gevoel bestaat een wereld van verscheidenheid, van conflict, van spanningen. Wat ik vertelde op het Makassarplein was een van de pijnlijke momenten, een moment waarin ik botste met de bewoners. Een moment van negatieve impact die heel helder werd, op een plein, in een openbare ruimte. Ik voelde me uitgesloten. Dit was 2000 in de lente. Mijn jongen van vijf en ik – ik was toen 32 – gingen op een woensdagmiddag naar het Makassarplein van toen. Een prachtig plein met mozaieken; dat gaf een Spaans gevoel van Gaudi. Maar er waren ook hangjongeren, met meer dan alleen een Nederlandse culturele achtergrond om zo te zeggen. Dan zie ik plots dat mijn zoontje benaderd wordt door jongeren op het plein. Ze overhandigen hem iets, en wat blijkt? Die veel tieners proberen de jongen van mij, van vijf jaar oud, een jointje te geven. Ik zeg er wat van ‘hoe durf je’ en gelijk had ik een groep om me heen. ‘Rot op, je hebt hier niets te zoeken’. Ik had geen bijstanders op dat ogenblik – wat moet je dan?  Ik vertrok met mijn zoon. Ik ben er nooit meer met mijn zoon wezen kijken. Pas later ben ik er weer naar dat plein toegegaan, heb ik het weer Makassarplein voor mezelf, samen met andere bewoners, weer heroverd om zo te zeggen.

Het is nog steeds een prachtig plein. Met het beleid van afbouwen van welzijn, jongerenwerk: er was destijds geen enkele jongerenwerker waar ik een beroep op kon doen. Dat was allemaal afgebouwd. De overheid had  zich teruggetrokken. We hebben, actieve bewoners van de buurt, het plein met steun van het stadsdeel, met name met steun van wethouder Nevin Özütok, terugveroverd. 10 jaar later.

Ik was in die tijd ook raadslid, en ik had een interview met Willem van Beusekom over de situatie, als de Groene Priester. Het Makassarplein werd in die tijd echt als risicoplein gezien. Burgemeester Cohen zorgde voor cameratoezicht en preventief fouilleren, ondersteund door stadsdeelraad Zeeburg waarin ik namens GroenLinks zat.

Wat het Makassarplein betreft: dat is nu weer van alle bewoners. We hebben als bewoners met Nevin Özütok dat hele traject begeleid. Dat was de tijd van actie van onderop, met buurtcommunities. Daar zal ik je een interessant artikel over opsturen.

Makassarplein Gaudi nu

Makassarplein nu

Ik neem aan dat je al lid van GroenLinks was toen je in de Indische Buurt kwam wonen. Werd je direct gevraagd om kandidaat te worden voor de deelraad?

Ik was al oprichtingslid, in 1990. Ik kwam uit het Progressief Migranten Blok, ondersteund door Andree van Es. Haar man, Joe Simons, zat er samen met ons in, ook met Tarapatie Oedaraij Singh Varma. Ik heb toen op het oprichtingscongres van GroenLinks het woord gevoerd namens het PMB. In 2001 heeft Evelien Tonkens, toen een collega bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn/NIZW mij vervolgens gevraagd of ik belangstelling zou hebben om voor GroenLinks in de raad van stasdseel Zeeburg te zitten. Ik heb me kandidaat laten stellen en van 2002-2006 ben ik raadslid geweest.

Binnen GroenLinks zat ik in de linkervleugel. Met Lin Tabak, ook woonachtig in de buurt. Zij was journalist voor het partijmagazine dat toen nog bestond. Ik was lid van een soort adviesraad voor dit magazine. Ik publiceerde daar nog in 2003 een kritisch artikel dat wat ophef veroorzaakt: ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’, een manifest voor een kritische koers van GroenLinks, waarin ik me onder andere tegen de vrijheid van onderwijs op religieuze basis verzet en een verbod vraag van het dragen van religieuze symbolen (kruisjes, keppeltjes, hoofddoeken) in de openbare ruimte. [zie ook mijn artikel voor jou, Mellouki; wil je daar nog op reageren? Rogier] 

Overigens is bijzonder aan de Indische Buurt de aanwezigheid van het opleidingsinstituut van de vierde Internationale: de Trotskistische stroming die ik nog steeds een warm hart toedraag. Die zitten in hun eigen pand op het Timorplein: het International Institute for Research and Education/IIRE, dat vroeger het Ernest Mandel instituut werd genoemd. Internationalisten uit de hele wereld komen daar bij elkaar om hedendaagse debatten te voeren. Met Lin Tabak heb ik er bijeenkomsten voor het Europese Groene Partij georganiseerd. Daar heb ik ook aan internationale LGBT-bijeenkomsten deelgenomen, enz. Er komen mensen uit de hele wereld om daar met elkaar te bouwen aan het internationalisme.  Ook mensen die geïnspireerd zijn door de theologie van de bevrijding. Inspirerend is dat.

Ik herinner me nog wat standpunten uit je politieke periode. Met name toen in de Indische Buurt sprake zou zijn van het organiseren van prostitutie door ‘Turkse Bulgaren’. Jij was toen erg tegen het specifiek benoemen van een groep. Wat vind je daar tegenwoordig van? Mag je discrimineren? Mag je groepen benoemen?

Een politiek ethisch standpunt is om alle veralgemenisering te vermijden, vanuit het standpunt van universalisme en mensenrechten, met het idee dat de mens centraal staat. Zodra je veralgemeniseert en mensen vastpint aan een identiteit, en negatieve kenmerken hieraan toekent, ben je heel fout bezig.

In mijn beleving mag je niet zeggen dat Marokkaans-Nederlandse jongeren crimineler zijn dan Turks-Nederlandse of Nederlands-Hollandse jongeren. Op het moment dat je naar de feiten gaat kijken ontstaan heel andere beelden. Een heel eenvoudig element: zodra je kijkt naar de sociaaleconomische achtergrond wordt alles veel duidelijker: het gaat niet om de cultuur, het gaat om de sociaaleconomische positie.

Ik onderscheid enerzijds problematisering die dan ontstaat worden vanuit de buik, vanuit de kroeg, maar ook vanuit de politieke Wilderisering van de samenleving, en anderzijds problematiek die vanuit oprechte belangstelling en wetenschap wordt gesteld. En dan: de vraag moet je ook nog beoordelen langs de lat van de stigmatisering, en langs de lat van de mensenrechten. De grens is uiteindelijk waar je dan groepen onveranderlijke kenmerken toeschrijft en daaraan negatieve stigmatisering koppelt…

Alles hangt dus af van de insteek. Als je een humanistische insteek hebt, is het anders. Maar als je mensen op heel negatieve aspecten vastpint, is aan het einde van de weg de Holocaust de oplossing. In Nederland blijven we gelukkig nog steeds binnen het gesprek met elkaar.

Hoe lang heb je in de deelraad gezeten voor GroenLinks? Wat heb je bereikt? Waren er ook zaken die je minder prettig vond aan de politiek?

Dat was 2002 tot 2006. Enerzijds heb ik dat ervaren als een heel mooie, leerzame en rijke periode: hoe werkt de lokale participerende democratie? Ik heb heel veel mensen leren kennen en hoe de buurt in elkaar zat, de vraagstukken. Het was een open venster op het lokale politieke en sociale leven. Het was een soort proeftuin voor mij: in het echt proeven wat politiek was. Een soort werkbezoek aan politiek land. Ik lach, omdat ik na vier jaar op was. Het was voor mij een tour of duty. Het was voor mij belangrijk om dit als burger mee te maken.

Inhoudelijk vond ik het best heftig. Het zijn heel veel dossiers, ingewikkelde verhalen op heel veel domeinen. En als raadslid moet je op alle terreinen thuis zijn. Hoe is het om raadslid te zijn met een migrantenachtergrond, en je maakt dingen mee die voor alle raadsleden tellen? Als je iets wilt realiseren, moet je een nota neergelegd hebben, een verordening. Dat heb ik ook gedaan. Ik sta zelf aan de basis van de verordening burgerinitiatief, en een cursus daarvoor. Ik heb in die tijd Astrid Abendroth van de VVD voorgesteld samen deze motie in te dienen. Zij zei ja en daar zijn wij nog steeds trots op. Zo werkt het raadslidmaatschap: je moet iets ontwikkelen als je iets wilt betekenen. Anders ben je Excuustruus, alibi-ali. Als migrant ben je er in principe in de eerste plaats alleen voor de stemmen.

Je hebt de lijn van de inhoud en de lijn van het proces. Dat laatste: hoe ga je in een interactie in een groepsproces? Dan inhoudelijk: dossier en zaken. En dan politiek: welke positie kies jij? En dan de interactie weer: je zit met elkaar in een wespennest en je maakt er het beste van. De deelraad is wel eens bij Schouten en Nelissen op training geweest om dat groepsproces beter te leren doen. Hoe zorg je ervoor dat je in ieder geval op een betere manier met elkaar in debat gaat? Dat groepsproces is geen makkie. Er zitten ook mensen tussen die zich vooral polariserend opstellen, zoals bijvoorbeeld Jan Vermij van de BAP. Die was heel duidelijk.

Jan Vermij

Deelraadslid Jan Vermij van de BAP (Buurt Actie Partij)

En dan de vraag: ben ik hier primair voor de mensen die op mij hebben gestemd, of ben ik er voor de politiek? Nog een andere dimensie: ben ik een bekwaam redenaar, schrijver of onderhandelaar, of een dommertje? Als je Jan Vermij neemt op deze as: die was absoluut een man van het volk, van de buurt, maar ook begreep hij het politieke spel niet. Het onderhandelingsproces is de taal van de systeemwereld. Daarmee moet je onderhandelen. Jan Vermij ging ook geen voorzitter van een commissie worden. Maar dan bereik je uiteindelijk niets. Politiek is uiteindelijk gewoon koehandel.

Nog een aardigheidje: in 2003 werd ik door een jury met o.a. Jacques Wallage uitgeroepen tot meest digitale raadslid van Nederland.

Sinds wanneer ben je ook als sociaal professional actief in de Indische Buurt?

Er bestaat een verkeerd beeld van mijn professionele inzet in de Indische Buurt. Ik heb maar één enkele keer iets betaald gedaan in de Indische Buurt voor de Indische Buurt. Dat was een project van 9.000 euro en daar kon ik niet goed omheen, omdat het me persoonlijk gevraagd werd vanuit mijn expertise met de Openbare Alliantie voor Vrijwillige Zorg, die ik op vrijwillige basis had opgericht. Ook mijn werkgever MOVISIE heeft maar een paar keer iets professioneels in de Indische Buurt gedaan.

Vanuit Movisie, zeker met mensen zoals Joost van Alkemade, heb ik echt ruimte gekregen, om beide soort activiteiten te doen: de vrijwillige en de betaalde. Dat is zelf binnen MOVISIE mijn unique selling point geworden. Dat ik niet vanuit kantoor handelde, maar vanuit de realiteit acteerde. Daarmee ontwikkel je als het ware een soort kruispuntidentiteit tussen buurt en systeemwereld.

Wat is jouw visie op de toekomst van de samenwerking tussen de overheid, het welzijnswerk en niet-gesubsidieerde organisaties in de buurt. Is daar een samenwerking nodig en hoe bewaak je dan de randvoorwaarden, bijvoorbeeld de seculiere of laïciserende basisvoorwaarden die de overheid stelt?

De basis van alle samenwerking is de grondwet. Binnen de Nederlandse grondwet is er voldoende ruimte om breed samen te werken. Artikel 1 is daar heel belangrijk bij, met name wat betreft LGBT: de ruimte voor homo- of bisexuele mannen en vrouwen en transgenders. Vanuit artikel 1 is er dan veel vrije ruimte om zelf in de buurt te acteren. Of het nu op gebied van energie is of op het gebied van schoon, heel en veilig. Ik zou willen oproepen: biedt ruimte aan sociaal initiatief wat betreft alle mogelijke aspecten van de samenleving! Leidend daarbij is wel het beginsel van mensenrechten. Geen discriminatie. Er moet sprake zijn van gelijke behandeling. Het moet bij deze buurtinitiatieven bovendien niet om commercie gaan, niet om de winst.

Als het om de islam gaat, kies ik welbewust een kant. En die positie is strategisch en tactisch: ik kies de kant van degenen binnen de islamitische wereld die op mijn lijn zitten. Tariq Ramadan Cadat ZorgWelzijnDat betekent dat ik kies bijvoorbeeld voor een Tariq Ramadan. Zie mijn interview met hem een paar jaar geleden. Die actoren binnen de islam die van binnenuit mijn waarden delen. Ik kies de kant van de mensen binnen die wereld. Tariq Ramadan zei over de Sharia: de Nederlandse grondwet is mijn Sharia. Ik ben niet voor absoluut particularisme, het bevoordelen van mensen van de eigen cultuur. Misschien omdat ik zelf tal van familiale identiteiten heb. Maar ik wil juist acteren vanuit inclusiviteit, in samenspraak met mensen die daardoor onderdrukt worden, handelen. Er zal altijd een aantal van die mensen in verzet komen en die zoeken in de eigen gremia of daarbuiten ondersteuning. Als je ze niet ondersteunt, dan verdwijnen ze uit beeld. Of erger. Je vindt dus altijd mensen die een alliantie willen aangaan, en die je moet ondersteunen.

Wat is je boodschap voor de Indische Buurt?

Bij de Indische Buurt blijf ik betrokken, ook na mijn verhuizing. Ik zet me tegenwoordig vooral in voor het Buurtmuseum. Bij mij gaat het om doen, de actie! Mijn volgende activiteit: ik ga met een grote groep mensen op zaterdag 25 maart een stadswandeling te maken, wandeling 1 of 2 uit je historisch wandelboekje. Vera Bartels heeft dat opgepikt en op de website geplaatst en de boodschap op Facebook en op Internet gezet. Ik blijf ook betrokken bij de activiteiten van Kibret Mekonnen, de filmregisseur. Hij woont in de Indische Buurt en heeft mij gevraagd om in de jury plaats te nemen van een filmfestival. Iets anders heel belangrijks dat mij ook al drie jaar verbindt met de buurt en dat ook doorgaat is de programmareeks Buurtcommunities bij Pakhuis de Zwijger, met Redouane Amine. Op 28 maart hebben wij alweer editie nummer 20: Eerste Hulp Bij Onbegrip.

Ik denk dat wij in de Indische Buurt dingen kunnen ontwikkelen die buurtoverstijgend zijn. Zo hoop ik van harte dat wij in Nederland kansen krijgen met het realiseren van het basisinkomen. Daarin zie ik een enorme kans voor mensen die ervoor willen kiezen zich in te zetten voor hun eigen buurt. Verder ben ik bezig met buurtrechten: Right to Challenge, het recht om diensten en producten te leveren aan de lokale overheid. Maar ook het recht tot zelfbeheer van buurthuizen. Geef mensen die wat willen met de buurt een economische bodem om aan de slag te gaan!

Tenslotte: we zitten in een buurt die gekenmerkt wordt door hyperdiversiteit. Maar als ik mijzelf bekijk, zie ik in mijn eigen persoon een hele mooie weerspiegeling van de hele buurt.Ik heb me laten testen op DNA en, met mijn witte moeder en mijn zwarte vader, ben ik voor 5% een Asjkenazische Jood – daar keek ik erg van op! – voor 11% Noord Afrikaans, voor 13% Oost Europees, 8 % Scandinavisch, 25% Nigeriaan, een stukje Balkan en nog veel meer. Wat zegt dat nu precies?

Wat ik uiteindelijk alleen maar wil zeggen is dit. Kijk voorbij het uiterlijk van de mens, maar accepteer de hele mens totaal.

Interview door Rogier Schravendeel

Lees ook deel 1 en deel 2 van het interview met Mellouki Cadat.

Advertenties

2 gedachten over “Interview met Mellouki Cadat, deel 3

  1. Pingback: Derde en laatste deel gesprek met Rogier Schravendeel | Brieuc-Yves (Mellouki) Cadat-Lampe

  2. Pingback: Interview met Mellouki Cadat – deel 1 | De Indische Buurt in Amsterdam Oost

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s