Integratie of niet integratie van de Marokkaanse gemeenschap in de Indische Buurt

In onderstaand artikel probeer ik een eerste aanzet tot een chronologisch beeld te geven van de integratie van de Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam en in de Indische Buurt in het bijzonder. Commentaar van harte welkom op schravendeel.r@gmail.com. Het artikel werd eerder geschreven onder de titel ‘Geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt’.

De Marokkaanse Indische Buurt

Deel 1 Geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt

Inleiding

Marokko

Wederopbouw

Wervingsovereenkomst

Ontvangst

 

 

Deel 2 Geschiedenis van de Marokkaanse migranten in de Indische Buurt

 

Inleiding

De geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt is een provocerende titel. De vraag is namelijk in hoeverre er een dergelijke geschiedenis bestaat en of het schrijven van een dergelijke geschiedenis mogelijk is zonder directe ingreep in de sociale werkelijkheid van vandaag de dag.

In de eerste plaats het begrip geschiedenis. Dat begrip zoals het in de westerse cultuur gehanteerd wordt is in principe verbonden met een evolutionair wereldbeeld. Dit evolutionair wereldbeeld kan zeer wel als cultuurimperialistisch instrument worden ingezet en wordt dat voortdurend ten opzichte van anderssoortige wereldbeelden. Is een geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt een poging tot inpassing van een anderssoortige – in dit geval islamitische – cultuur in het westers wereldbeeld?

Min of meer in datzelfde kader ook: moet een geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt niet door een Marokkaan worden geschreven? Moet zo’n geschiedenis niet van binnenuit geschreven worden? Krijgt een buitenstaander überhaupt enig zicht op de ontwikkelingen in een voor hem onbekende wereld, waar een andere taal gesproken wordt en een ander geloof aangehangen wordt dan dat van genoemde buitenstaander? Waar bemoeit die buitenstaander zich eigenlijk mee.

En dan de vraag of er überhaupt zoiets bestaat als een Marokkaanse Indische Buurt. En zo ja, hoe zou die dan te omschrijven zijn? Betreft het de huidige bewoners van de Indische Buurt met een Marokkaanse paspoort? Of wordt een specifieke nationale cultuur bedoeld, namelijk de Marokkaanse? En hoe is die dan af te scheiden van of te definiëren in termen van islam? Is de term Marokkaanse Indische Buurt misschien stigmatiserend en brengt die een scheiding aan tussen bewoners op oneigenlijke gronden?

Kortom, een spannend begrip en voorlopig geschikt als werktitel. Wat ik van plan ben, is in principe het verhaal van uit Marokko afkomstige gastarbeiders en hun nageslacht tot op de dag van vandaag op te schrijven, voor zoverre het de Indische Buurt betreft. Voor het schrijven van de buitenkant – het contact met de buitenwereld – zal ik me vooral baseren op geschreven bronnen, die met name in het IISG te vinden zijn. Voor de binnenkant baseer ik me op gesprekken en interviews. De aanpak is chronologisch. Het lijkt me een avontuur in afleveringen.

Mijn uiteindelijke motivering voor dit avontuur is de persoonlijke verwantschap die ik voel met deze uiterst boeiende en creatieve Marokkaanse gemeenschap en de Arabische wereld in het algemeen, die bij ieder gesprek en iedere ontmoeting groter wordt. Ik weet vooralsnog niet of deze geschiedenis ooit af zal raken. Wel weet ik dat ik al anderhalf jaar bezig ben met het verzamelen van materiaal en dat het nu tijd is dat ik begin.

Rogier Schravendeel

 

 

Marokko

Alvorens aan de geschiedenis te beginnen van de Marokkaanse gastarbeiders in Nederland en met name de Indische Buurt, hieronder een kort overzicht van de relevante geschiedenis van Marokko.

De oorspronkelijke bewoners van het gebied dat nu Marokko heet, waren de Berbers in het binnenland en Feniciërs aan de kust. De diverse koninkrijken worden ca. 40 na Christus veroverd door de Romeinen en worden een onderdeel van het Romeinse Rijk. In de vijfde eeuw valt dit uit elkaar en volgt een chaotische periode, waarin het gebied wisselend onder Gotische stammen en Byzantium valt, terwijl de Berbers hun relatieve onafhankelijkheid in de bergen weten te bewaren.

In de zevende eeuw wordt wat nu Marokko heet veroverd door de Arabieren en gaat het gebied – dat op dat moment deels christelijk was – over tot de islam. De Berberstammen houden daarbij zoveel mogelijk hun eigen wetten. Van halverwege de achtste tot de elfde eeuw bestaan diverse onafhankelijke berberse koninkrijken in het gebied, dat aansluitend onder de tevens berberse Almoraviden wordt verenigd en grote macht in zijn omgeving begint uit te oefenen. Er vallen echter vanaf de 12e eeuw vanuit de woestijn opnieuw Arabische stammen binnen, die uiteindelijk de macht van de Berbers in het gebied volledig zullen overnemen, in de vorm van de Saadi-dynastie (1511-1659) en de Alaoui-dynastie, die vandaag de dag nog steeds aan het bewind is.

De grip van de Alaoui-dynastie was echter niet sterk op de achterlanden, waar de (berber)bevolking zich min of meer autonoom organiseerde. De Franse belangstelling voor het land als economisch wingewest dateert uit de eerste helft van de negentiende eeuw. In 1912 wordt Marokko een Frans protectoraat. Hierbij blijft de sultan nominaal wel de souvereine heerser. Al spoedig stromen duizenden Franse landbouwondernemers het land binnen, die sterk pleiten voor meer Europese politieke verhoudingen.

Inmiddels vindt een opstand in de Rif uit, waarbij de berberse bevolking zich onder leiding van Mohammed Abdelkrim El Khatabbi onafhankelijk verklaart en de intentie uitspreekt de overige delen van Marokko op termijn terug te veroveren. Deze opstand wordt in 1926 definitief onderdrukt, maar ligt nog altijd goed in het geheugen van zowel de inwoners van de Rif als van de Arabische bevolking van Marokko.

Politiek gezien zijn de moderniserende bewoners van Marokko op dat moment zeer achtergesteld. Diverse groeperingen beginnen zich te verenigen en geven in 1944 een manifest uit waarin ze volledige onafhankelijkheid en democratie eisen; iets dat door de sultan direct wordt omhelsd. De Franse werkelijke machthebbers weigeren echter enige hervorming toe te staan. Dit leidt tot opstanden begin jaren vijftig, die uiteindelijk zullen leiden tot de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 onder Mohammed V, die in 1957 de titel ‘koning’ aanneemt. Dit koningschap is bedoeld als leiderschap op zowel politiek als religieus gebied.

De onafhankelijkheid komt niet vanzelf tot stand. Terwijl de onderhandelingen met de Fransen gevoerd worden door de Arabisch-getinte partij Istiqlal (sinds 1944), richten de Rifbewoners in 1954 een eigen bevrijdingsleger op. Dit leger wordt na de onafhankelijkheid echter gedwongen op te gaan in de Istiqlal. Terwijl de voertalen in Marokko voortaan Frans en Arabisch zullen zijn, voelen de Rifbewoners zich steeds meer achtergesteld en ontstaat een opstandige sfeer in het gebied. In 1958 komt het tot een uitbarsting, waarbij het Marokkaanse leger de orde op niets ontziende wijze herstelt. Veel voormalige Rifbewoners die vandaag de dag in Nederland wonen, hebben deze periode meegemaakt en zijn hierdoor getraumatiseerd.

Als Hassan II in 1962 Mohammed V opvolgt, start een periode vol onrust en politieke moeilijkheden. Allereerst doet Marokko claims gelden op gebieden in het sinds 1962 omafhankelijke Algerije. Een Marokkaanse aanval mislukt echter en zet de verhoudingen tussen beide landen definitief op scherp. Nadat het door hem ingestelde meer democratisch systeem tot een periode van onrust leidt, neemt Hassan II in 1965 de volledige macht in handen en regeert voortaan autocratisch. In 1970 wordt weer enige ruimte gegeven voor democratische ontwikkelingen, waarbij ook verkiezingen worden toegestaan. De koning overleeft begin jaren zeventig twee militaire coupes en treedt keihard op tegen oppositie.

Een speciale positie in het land heeft daarbij sinds 1958 de Rif. De regio wordt min of meer als bezet gebied geregeerd en overheidsinvesteringen worden nauwelijks meer gedaan. Er is nauwelijks werk in het gebied, mede bij gebrek aan infrastructuur. Dit heeft er enerzijds toe geleid dat relatief veel Rifbewoners hun toevlucht tot het buitenland hebben genomen, anderzijds dat de (illegale) hashteelt en -handel de belangrijkste inkomstenbron van de bevolking in het gebied is.

Marokkaanse studenten en activisten die zich in het buitenland bevinden, beginnen zich vanaf de jaren zestig tegen het regime te organiseren, met name op marxistische basis. Typisch voorbeeld is Mohamed Rabbae, die in de jaren zestig (de `jaren van lood`, waarin onder andere linkse oppositieleider Ben Barka in Parijs wordt vermoord) als politiek vluchteling naar Nederland komt. Er zijn in die jaren nog relatief weinig Marokkaanse gastarbeiders in Nederland. Mohamed Rabbae zal later een belangrijke rol spelen bij het organiseren van Marokkanen in Nederland.

De eerste Marokkaanse gastarbeiders komen in de eerste helft van de jaren zestig naar Europa, met name nadat vanwege de oorlogshandelingen de arbeidsmogelijkheden in Algerije voor Marokkanen onmogelijk worden. Deze gastarbeiders komen in eerste instantie naar Frankrijk om in de mijnen te werken. Ook komen mensen om dezelfde reden naar Nederland toe. In 1965 wonen er naar inschatting ca. 4.500 Marokkaanse gastarbeiders in Nederland. In december 1965 wordt in Nederland echter de op handen zijnde sluiting van de Staatsmijnen aangekondigd.

Wederopbouw

Wanneer Nederland na de Tweede Wereldoorlog tot wederopbouw overgaat, werken er ongeveer 30.000 buitenlandse arbeiders in het land, waarvan 10.000 zogenaamde grenswerkers – mensen die in Duitsland of België wonen, maar hun baan in Nederland hebben. Hier zijn geen Marokkanen bij.

Er zijn, met name voor de mijnen, echter meer arbeiders nodig. In 1948 wordt daarom door Nederland een bilaterale overeenkomst gesloten met Italië om Italiaanse arbeiders te mogen werven voor het werken in de mijnen. Nadrukkelijk wordt om ongetrouwde arbeiders gevraagd, omdat de intentie is dat deze arbeidsinzet tijdelijk is.

Het aantal bewust geimporteerde arbeidsmigranten uit het Middellandse Zeegebied stijgt snel. In 1955 zijn het er bij benadering 1.600 (er worden in dat jaar ook enkele werkvergunningen aan Marokkaanse gastarbeiders gegeven). Er is in dat jaar echter een arbeidstekort van 80.000. Werving van buitenlandse arbeiders is in economisch kader essentiëler dan ooit, en de Minister van Sociale Zaken stuurt dat jaar een circulaire aan alle Nederlandse werkgevers waarin hij zijn voornemen uit om het aantal gastarbeiders te gaan verruimen. Expliciet blijft het daarbij niet de bedoeling dat Nederland immigratieland wordt en vooralsnog blijft gezinshereniging verboden.

Het aantal leveringslanden wordt in verband met de schaarste ook uitgebreid. Na een hernieuwd contract met Italië in 1960 komt ook een contract met Spanje tot stand (1961), met Griekenland (1962 concept, definitief 1966), met Portugal (1963) en met Turkije (1964). Mede dankzij deze contracten stijgt het aantal buitenlandse arbeiders snel. Eind 1961 zijn het er inmiddels 8.000, terwijl het aantal in 1965 gestegen is tot 40.000. Alhoewel er nog geen leveringscontract met Marokko bestaat, is de instroom van Marokkanen vanaf 1962 begonnen grotere vormen aan te nemen en werken er in 1965 bij benadering al 5.500 Marokkanen in Nederland. De grootste groep dat jaar zijn de Spanjaarden (16.000), gevoolgd door de Italianen (8.000) en de Turken (7.000). Veel kleinere groepen vormen de Grieken (2.000), Joeegoslaven (1.000) en Portugezen (1.000).

Wervingsovereenkomst

Terwijl het aantal Italianen werkzaam in Nederland wegens de aantrekkende economie van Italië vanaf 1960 begint af te nemen, ontstaat in Nederland in 1966 de eerste hapering in de gestage groei; een economische crisis. Daarbij was eind 1965 al de toekomstige sluiting van de staatsmijnen aangekondigd. De Nederlandse regering, die zojuist ook een definitief contract met Griekenland heeft afgesloten en in onderhandeling is met Marokko, stelt een nadere beslissing uit. Pas in 1969, als de economie weer is aangetrokken, wordt een wervingsovereenkomst met Marokko gesloten.

Inmiddels heeft al een grote groep Marokkanen op eigen gelegenheid Nederland bereikt. In 1970 worden 19.445 arbeidsvergunning afgegeven voor Marokkanen. In 1973, wanneer het contract met Marokko weer wordt opgeheven, zijn er ruim 22.000 Marokkanen op legale wijze in Nederland werkzaam. Dit aantal zal tot 1977 nog tot ruim 27.000 stijgen. Ook een groot aantal illegale arbeidsmigranten, grotendeels afkomstig uit de Rif, is echter inmiddels in Nederland werkzaam.

Illegaal, vanwege de Vreemdelingenwet 1965, die in 1967 in werking is getreden en waardoor voortaan een vooraf aangevraagd visum voor een verblijf langer dan drie maanden in Nederland dient te worden aangevraagd. Wie op de bonnefooi komt en werkzaamheden in Nederland verricht, is voortaan illegaal. Dat geldt voor een groot aantal arbeidsmigranten uit Marokko, die ondanks de afloop van het contract blijven komen en die door Nederlandse ondernemers als goedkope illegale arbeidskrachten worden ingezet. De vakbond ziet deze illegalen in zekere zin als ‘onderkruipers’ – arbeiders die onder de prijs werken en daarmee concurrent van de andere arbeiders zijn – en heeft er moeite mee.

Ontvangst

Hoe worden de eerste arbeidsmigranten in Nederland ontvangen? In eerste instantie is het absoluut niet de bedoeling dat het verblijf in Nederland meer dan tijdelijk is. Daarom worden ook nadrukkelijk ongehuwde Italiaanse arbeiders geworven – die incidenteel met een Nederlandse vrouw trouwen en dan alsnog in Nederland kunnen blijven – en is er ook expliciet sprake van een verbod op gezinshereniging in Nederland. Inmiddels blijkt de praktijk echter al spoedig weerbarstig en worden al vanaf 1960 ook steeds meer gehuwde werknemers in dienst genomen door Nederlandse bedrijven. Hun vrouw en gezin laten ze daarbij in eerste instantie achter in het land van herkomst.

Voor wat betreft EEG-onderdanen levert dit echter een lastige situatie op, aangezien vanuit Brussel druk ontstaat om in ieder geval voor deze groep gezinshereniging toe te staan. Met name christelijke partijen pleiten voor een ruimhartig gezinsherenigingsbeleid en vanaf 1961 wordt voor gemeenschapsonderdanen gezinshereniging toegestaan ‘zodra passende huisvestiging voor handen is’. Er ontstaat daarbij iets als een eerste onenigheid tussen het Ministerie van Sociale Zaken, die uit economische en sociaal-humanitaire overwegingen de maatregelen zonder meer ondersteunt, en het Ministerie van Justitie, dat vreest het haar zicht op de bevolking kwijt te gaan raken.

In 1961 wordt voor het eerst ook gezinshereniging toegestaan voor niet EEG onderdanen. In het contract met Spanje (geen lid EEG) wordt gezinshereniging na een wachttijd van drie jaar toegestaan. Met name de christelijke partijen vinden dit veel te lang en pleiten voor een eerdere gezinshereniging. Ook de liberale partijen pleiten, uit economische overwegingen, voor meer ruimhartigheid. Er vinden in dat 1962 en 1963 dan ook rechtzaken plaats wat betreft de gewenste versnelde gezinshereniging van enige Spanjaarden. De voortdurende druk leidt er toe dat in 1964 de termijn voor gezinshereniging voor Spanjaarden wordt teruggebracht naar 1 jaar, terwijl andere niet EEG-ers, voortaan recht op gezinshereniging hebben na 2 jaar.

In 1965 wordt de termijn voor gezinshereniging ook voor Turkije, Griekenland en Portugal teruggebracht naar 1 jaar. In 1968 wordt de termijn voor EEG-ers in het geheel afgeschaft. In 1969 wordt in het verdrag met Marokko gezinshereniging beperkt tot slechts 1 echtgenote. In 1970 sluit Nederland ook nog  een verdrag met Tunesië en met Joegoslavië. De wachttijd voor Marokkanen en Joegoslaven wordt teruggebracht naar 1 jaar bij passende huisvesting en een contract voor nog minimaal een jaar.

Tegen deze gezinshereniging van met name de Marokkanen en Turken wordt bezwaar gemaakt door het Ministerie van Justitie, vanwege de van de Europese samenleving sterk afwijkende islamitische cultuur. Vrouwen en kinderen zouden met name als dragers van cultuur gaan fungeren, waardoor integratieproblemen zouden kunnen ontstaan. De voorstellen om Marokkanen en Turken op het gebied van gezinshereniging anders te behandelen stuiten echter op grote weerstand van de christelijke en socialistische partijen. Ook de Nota Buitenlandse Werknemers, waarin nogmaals nadrukkelijk gesteld wordt dat Nederland geen immigratieland is, stuit op grote tegenstand. Politieke partijen zijn van mening dat uit de Nota een onvoldoende besef spreekt ten opzichte van de verplichtingen die Nederland heeft tegenover de buitenlandse werknemer.

Sociale ondersteuning

Aangezien het in eerste instantie niet de bedoeling is dat de arbeidsmigranten zich definitief in Nederland zouden vestigen, wordt door de overheid dan ook nauwelijks iets aan sociale ondersteuning gedaan. Omdat de meeste buitenlandse arbeiders in de jaren vijftig uit katholiek Zuid Europa afkomstig zijn, voelt met name de Rooms Katholieke Kerk zich aangesproken deze groep sociaal te ondersteunen. Zo wordt in 1957 in regio IJmond door het Bedrijfsapostolaat Hoogovens de Stichting Peregrinus (‘pelgrim, vreemdeling’) opgericht, om de belangen van Italiaanse en Spaanse werknemers te behartigen. Ook elders ontstonden – praktisch altijd uit de kerk – belangenverenigingen van goedwillenden.

Een en ander leidt in 1965 tot oprichting van de Landelijke Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers, een overkoepelend orgaan dat alle lokale en regionale stichtingen en verenigingen vertegenwoordigt. Het begint inmiddels duidelijk te worden dat meer buitenlandse arbeiders in Nederland zullen blijven dan oorspronkelijk bedoeld. Een duidelijk overheidsbeleid ontbreekt echter. Daarom zullen in eerste instantie vooral de kerken zich met de sociale ondersteuning van de nieuwe groepen gaan bezighouden. Later komen daar in de jaren zeventig de meer marxistisch ingestelde groepen bij, die overigens deels uit de kerkelijke hoek afkomstig zijn.

In oktober 1966 is er ook voor het eerst sprake van een Marokkaans (Arabisch) radioprogramma bij de NRU, de Marokkaanse arbeider. Daarnaast maken groepen onderling muziek en organiseren incidenteel feesten. Het eerste Marokkaanse informatieblad is zover bekend Assadaaka, wat Vriendschap betekent. Het tijdschrift is een initiatief van de Stichting Buitenlandse Werknemers te Utrecht.

Ook in Amsterdam zijn vanaf de jaren zestig Marokkaanse mannen werkzaam in diverse slecht betaalde banen. In verband met de mogelijkheid tot gezinshereniging is er inmiddels een netwerk van advocaten ontstaan dat zich met gezinsherenigingskwesties bezighoudt. Toch schrijft professor Wentholt in de slotbeschouwing van het in 1967 uitkomende congresverslag Buitenlandse arbeiders in Nederland dat er in Nederland geen behoefte aan een immigratiebeleid bestaat, omdat er simpelweg geen behoefte aan blijvende vestiging valt te verwachten.

Blijvende vestiging van buitenlandse arbeiders hoeft niet (principieel) actief en systematisch te worden bevorderd, omdat een dergelijk beleid niet aansluit bij de meest typerende dynamiek van het internationale forensisme, dat niet naar blijvende vestiging toestreeft. Ethnocentrisme en subjectivisme dienen te worden vermeden, niet alleen in het negatieve (voor-)oordeel tegen de buitenlander, maar ook in de principiële stellingname over de buitenlander. Irreëel zou ook zijn op principiële gronden een algemeen immigratiebeleid te eisen, wanneer in de realiteit noch bij de buitenlandse arbeider in het algemeen, noch bij de Nederlandse samenleving in het algemeen, behoefte aan een immigratiebeleid bestaat. […]

Het gevaar van proletarisering en het ontstaan van een nieuwe sociaal onderdrukte klasse is bij de huidige, in sterke mate en snel wisselende buitenlandse arbeidsbevolking niet aanwezig. Dit gevaar zou wel bestaan indien een aanzienlijke groep blijvende vestigers last kreeg van discriminatie op het werk (bijv. geen promotiekansen), in de woonsfeer (ghetto-vorming) en in het leefmilieu (onaanvaardbaarheid als mede-burger voor de autochtone bevolking). Het gevaar is niet groot omdat:

  • blijvende ethnische minderheidsgroepen van enige omvang (qua territoir en samenstelling) ook in de toekomst slechts een geringe rol kunnen spelen
  • een anti-discriminatie-ideologie in de Nederlandse samenleving de tegenhanger vormt van eventuele discriminatietendenzen;
  • onze cultuur al in vrij sterke mate een conglomeraat van zelfgenoegzame, langs elkaar heen levende en elkaar met rust latende bevolkingsgroepen vormt.

Waakzaamheid blijft echter geboden. Op het plaatselijke en ondernemingsvlak dient daar waar nederzettingen van buitenlandse arbeiders met hun gezinnen ontstaan, een anti-discriminatoire aanpak bewust te worden ontwikkeld.[p. 186-187].

Alhoewel in deze periode al in sommige beleidskringen de eerste zorgen beginnen te ontstaan over mogelijke inpasbaarheid van Turken, die vanwege de zeer armoedige omstandigheden in hun thuisland mogelijk niet meer terug zullen gaan, is in Nederland nog nauwelijks zicht op de al grote groep vaak illegaal aanwezige Marokkanen, die in feite met dezelfde problematiek kampen.

Amsterdam

In Amsterdam worden inmiddels vanuit de kerkelijke hoek de eerste sociale activiteiten voor Marokkaanse mannen georganiseerd. De eerste is vermoedelijk een kerstfeestviering eind 1966, georganiseerd door een christelijk gelegenheidsgezelschap: leden van de Stichting Afbraak-Opbouw van de Sjaloomgroep in Odijk., mensen van Jeugd en Evangelie, de werkkamp-organisatie I.V.H. en enkele mensen die o.a. als verpleegster in Noord-Afrika werkten. Het kerstfeest is een groot succes en het blijkt dat er bij de Marokkanen grote behoefte bestaat aan een eigen ruimte. Het gezelschap neemt contact op met de hervormde dominee Boiten, die inmiddels al enige tijd sociaal actief is in de binnenstad via Oudezijds 100, en in gezamenlijke inspanning komt een Marokkaanse sociëteit tot stand, Dar en Salaam genoemd, later afgekort tot DAR. Na korte tijd verhuist de sociëteit – financieel ondersteund door een Wilde Ganzenactie van de IKON) naar het Koning Willemshuis in de Egelantierstraat, en ontstaat er tevens een werkgroep DAR om het een en ander verder te begeleiden.

De belangstelling van de overheid is inmiddels nog steeds gering. De werkgroep DAR, die vanaf 1967 een sterke toename signaleert van het aantal met name Marokkaanse en Turkse gastarbeiders, doet veel moeite de overheid hier op te wijzen. Er is subsidie nodig om deze groepen te ondersteunen. Een en ander leidt in 1968 tot de Stichting Buitenlandse Werknemers in Amsterdam.

Deze Stichting, waarin ook dominee Boiten en met name de vakbond en de werkgevers een doorslaggevende rol spelen, is niet ingericht naar de zin van de werkgroep DAR. Weliswaar worden door de Stichting enige activiteiten georganiseerd en wat subsidie voor zaalhuur gegeven, maar het stoort de werkgroep DAR dat er vooral wordt ingezet op maatschappelijk werk en het praktisch begeleiden van buitenlanders in Amsterdam, terwijl er nauwelijks aandacht is voor de cultuur van het land van herkomst. Langzaam maar zeker ontstaat er een onherstelbare breuk tussen de werkgroep DAR en de Stichting, waarbij de werkgroep DAR – die met name  Turken en Marokkanen als hun doelgroep ziet – het zich steeds meer als opgave rekent op termijn definitief met de Stichting af te rekenen. De Stichting op haar beurt wordt in 1970 versterkt wanneer het Roomskatholieke Interparochiaal Sociaal Charitatief Centrum haar Amsterdamse werkzaamheden voor Italianen, Spanjaarden en Portugezen definitief overdraagt aan de Stichting.

Eerste Marokkanen in de Indische Buurt

De echtgenoot van Habiba El Bouchaibi, die tegenwoordig op de Tidorestraat woont, komt al in 1963 naar Nederland om in de kippenfabriek in Oostzaan te gaan werken. Nadat hij in eerste instantie enige tijd een Nederlandse vriendin heeft, trouwt hij in 1966 met een vrouw uit het land van herkomst, Habiba en laat haar in 1970 overkomen. Het echtpaar heeft dan een woning op de Soembawastraat bemachtigd. Wanneer Habiba in Nederland aankomt kijkt ze haar ogen uit. Ze heeft nog nooit een supermarkt gezien. Ze komt veel op de Dappermarkt en heeft een goed contact met Nederlandse mensen. Vooral de eerlijkheid van de Nederlanders verbaast haar: als ze haar portemonnee ergens op de markt laat liggen, vindt ze hem gewoon weer terug. Er zijn op dat moment nog nauwelijks Marokkanen in de Indische Buurt.

Cultureel is er in 1970 voor Habiba in de Indische Buurt dan ook niets te beleven. Dat is verder ook geen punt. Er moet vooral gewerkt worden en geld verdiend. De vrouw des huizes, die in de loop der tijden zeven kinderen zal grootbrengen, gaat thuis garnalen pellen. Dat is een behoorlijk lucratieve bezigheid. Habiba, die vroeger in Marokko ook garnalen pelde, weet in korte tijd de productie van 1 naar 4 zakken op te voeren en een weekloon te verdienen van zes- tot zevenhonderd gulden. Het zijn gouden jaren voor het gezinsinkomen en het is dan ook een grote tegenvaller wanneer het thuispellen van garnalen vanwege hygiënische omstandigheden in de jaren tachtig wordt verboden. De directeur van de firma biedt haar nog wel gratis vervoer naar de fabriek aan, maar op die manier is het werk toch niet met de opvoeding te combineren. Habiba stopt met garnalenpellen en zal voortaan met schoonmaken proberen bij te verdienen. Dat levert uiteraard veel minder op. Het wegvallen van ongeschoold werk wegens verdere regulatie in de jaren tachtig is voor de hele Marokkaanse gemeenschap, gezien het gebrek aan geschikte diploma’s, een ramp.

In 1973 komt Abdou El Khatabbi, die zich sinds 1971 in Amsterdam illegaal in allerlei baantjes (portier, fabriek) in leven probeert te houden, in de Indische Buurt te wonen. Er zijn dan nog maar een paar Marokkaanse gezinnen in de buurt en er is nog weinig te beleven voor migranten. Wel zouden volgens vooralsnog onbevestigde geruchten er in de Archipel aan de Minahassastraat inmiddels weleens religieuze bijeenkomsten worden gehouden. Vanaf halverwege de jaren zeventig zal zowel voor Turken als Marokkanen een eigen ruimte worden ingericht in het gebouw Batjanstraat 2. Terwijl Abdou El Khatabbi illegaal naar Nederland is gekomen, is zijn vader wel legaal. Abdou probeert via gezinshereniging gelegaliseerd te worden, maar dat lukt niet erg. Daarom stapt hij over naar het pardon van Den Uijl. In 1975 wordt Abdou, die zich later tot welzijnswerker en voorzitter van de Marokkaanse Raad Zeeburg zal ontwikkelen, definitief gelegaliseerd.

Welzijn hier en daar

Wanneer de huidige voorzitter Mohamed Echarrouti van de UMMON, de Unie van Nederlandse Moskeeorganisaties in Nederland, rond 1970 als twintigjarige illegaal in Nederland arriveert, valt hem op dat er bij de in Nederland als gastarbeider werkzame Marokkanen weinig tot geen belangstelling is voor het geloof, de islam. Een poging het Koning Willemshuis in de Jordaan als gebedsruimte te gaan inrichten, faalt, en Echarrouti begint na eenmalig een ruimte op de Nieuwe Herengracht gebruikt te hebben, bij speciale gelegenheden gebedsvieringen in diverse pensions te organiseren. Ook start hij met inzamelen van geld onder de Marokkanen voor een eigen gebedsruimte, die uiteindelijk in september 1974 in de Van Ostadestraat, in een crypte van de Rooms Katholieke kerk Willibrordus Buiten de Veste, geopend wordt. Het is de eerste moskee in Amsterdam. De moskee zal in 1982 wegens ruimtegebrek verhuizen naar Weesperzijde 76, waar ze nog steeds als Al Kabir-moskee (de Grote Moskee) te bezoeken is.

Terwijl Echarrouti nog voor andere Marokkaanse organisaties als Amicales en KMAN begonnen is als Marokkaan zelfstandig activiteiten voor Marokkanen te organiseren, is het DAR bezig haar activiteiten nader te ontplooien, zich daarbij regelmatig afzettend tegen de Stichting  Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam. Het DAR, dat als gezegd betrokken is bij het Koning Willemshuis, heeft in de heer Mustapha Slaby een goede partner. Deze ondersteunt in ieder geval in 1969 al de lessen Nederlands en Arabisch die in de Marokkaanse sociëteit gegeven worden. Het DAR is structureel ontevreden over de ondersteuning die door de Nederlandse regering aan Marokkaanse gastarbeiders wordt gegeven. Er zou veel meer moeten gebeuren dan sociëteitswerk  alleen. Met name de voorbereiding op de gezinsherenigingen en het langdurige verblijf in Nederland zouden meer aandacht moeten krijgen. Daarnaast zou Nederland ook meer belangstelling moeten tonen voor de belangen van de buitenlandse werknemer in diens land van herkomst.

Er begin jaren zeventig veel compassie rond buitenlandse werknemers in het algemeen en Turken en Marokkanen in het bijzonder. Dit hangt onder andere samen met een veel bekeken Televizier-uitzending over de hondse behandeling van Marokkaanse kandidaat-trekarbeiders door recruteurs, en enige dramatische pensionbranden waarbij diverse doden vallen (waaronder op 5 december in het Amsterdamse pension op de hoek van de Amstelstraat en de Paardenstraat: onder de 47 pensiongasten vallen 9 doden, waarvan 8 Marokkanen). Een en ander zet het DAR er toe om de Amsterdamse pensions te gaan onderzoeken en door middel van publiciteit wangevallen aan de schandpaal te nagelen. Daarnaast broedt de werkgroep op plannen om de Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam definitief op een dood spoor te zetten. Daartoe richt ze samen met de zojuist door onder andere gereformeerde domineeszoon en PSP-er Geert Mak opgerichte alternatieve welzijnsstichting Release het BAK op.

Het DAR, waarbij in 1971 al onze enige jaren overleden voormalige buurtgenoot Ron Haleber via de Marokkaanse sociëteit betrokken is — er zijn dan 71 leden – gaat bij de oprichting van het BAK, het Buitenlandse Arbeiders Kollektief, zeer bedachtzaam te werk. DAR ergert zich al enige tijd mateloos aan de Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam, die te weinig activiteiten ontplooit en bovendien naast sociale ondersteuning nauwelijks belangstelling heeft voor de achtergronden, cultuur en thuislandsituatie van de buitenlandse werknemers wie belangen ze verondersteld wordt te dienen. Het BAK moet er voor gaan zorgen dat de buitenlanders het heft in eigen hand gaan nemen. De werkzaamheden moeten daarbij verplaatst gaan worden naar wijkniveau.

Voor oprichting van het BAK, vermoedelijk in 1970, wordt de samenwerking gezocht met alternatieve hulpverlenersorganisatie Release. Direct aansluitend benadert het BAK alle Amsterdamse buurthuizen om mogelijke samenwerking te kunnen bespreken. Op die manier wordt de Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam in één magistrale beweging praktisch buitenspel gezet. Het BAK wordt nu de hulpverlenende poot van DAR op lokaal niveau, terwijl DAR zelf meer de politieke rol in handen houdt. Wel neemt het aantal leden van DAR af, terwijl 27 DAR-leden in de wijken actief zijn voor BAK.

Zich politiek verder profilerend, nu in de wijken het BAK de directe hulpverlening aan het overnemen is, kiest DAR in 1972 als doelstelling enerzijds de omstandigheden van de buitenlandse werknemers in Nederland te verbeteren, maar anderzijds ook de oorzaken waarom de buitenlandse werknemer naar Nederland komen, weg te nemen. De laatste zin komt inhoudelijk in feite neer op het ondersteunen van een revolutionerend programma in het land van herkomst. Deze nieuwe lijn heeft als oorzaak het feit dat DAR vanuit landelijke samenwerkingsverbanden steeds meer onder invloed is komen te staan van de anti-imperialistische beweging, die met name vanuit Leiden (NESBIC) actief is. Deze dubbele doelstelling zal vanaf 1975 door de opvolger van het BAK, het KMAN – Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland – worden overgenomen en uitgewerkt.

Amicales

In Marokko is de situatie begin jaren zeventig erg gespannen geworden. Na de verdwijning van oppositieleider Mehdi Ben Barka in 1965 regeert Hassan II met ijzeren vuist en schaft hij de democratie in de praktijk af, terwijl van politieke gevangenen vaak niets meer vernomen wordt. Dit leidt tot steeds meer politieke onrust en demonstraties tegen zijn regime. In 1970 wordt voor de eerste keer een mislukte aanslag op Hassan II gepleegd, door kadetten van het leger. In 1972 vindt alweer een aanslag plaats. De koning overleeft ze echter allebei. Het is wel duidelijk dat er wat moet gebeuren en de koning kondigt plannen aan om de Westelijke Sahara te gaan veroveren. Dit wekt stevige nationalistische gevoelens op bij de bevolking van Marokko, waardoor de hoog opgelopen interne spanningen wat beginnen af te nemen.

Toch is de koning er bepaald niet gerust op dat er niet nog een keer een aanslag op hem gepleegd zal worden. Omdat de indruk bestaat dat bij de vorige keren ondersteuning van Marokkaanse ballingen in het buitenland aanwezig was – waar ook de Marokkaanse geheime diensten steeds minder zicht op beginnen te krijgen – besluiten de Marokkaanse consuls en ambassadeurs van Europa in 1973 samengekomen in Parijs in de diverse landen een centraal door Marokko geleide vereniging te gaan oprichten, de Amicales des travailleurs et commercants, afgekort de Amicales. Het is de bedoeling dat deze vereniging Marokkaanse arbeiders namens de Marokkaanse overheid de benodigde ontspanningsactiviteiten biedt. Bijkomend voordeel – en misschien wel hoofddoelstelling – is echter dat een dergelijke vereniging daarnaast niet alleen de Marokkaans-nationale belangen in het betreffende buitenland kan verdedigen maar daar ook de anti-koningsgezinde revolutionaire bewegingen in de gaten kan houden.

Op 14 december 1974 wordt de eerste Amicales afdeling van Nederland opgericht, in Utrecht. Openingstoespraak wordt gedaan door directeur-generaal Bjoui van het Marokkaanse ministerie van Arbeid. Insteek is dat de Amicales vooral de belangen van in Nederland werkzame Nederlanders behartigen. Daarnaast zullen op termijn moskees gebouwd worden en zal ook speciaal onderwijs voor Marokkaanse kinderen in Nederland – die in die periode nog verondersteld worden op termijn naar het land van herkomst terug te keren – verzorgd gaan worden door uit Marokko geïmporteerde gekwalificeerde onderwijzers en imams. Enkele dagen later wordt in Rotterdam een tweede afdeling van de Amicales geopend en in april 1975 ook in Amsterdam, in de Moskee Al Kabir van Echarrouti in de Van Ostadestraat. Laatste twee bijeenkomsten verlopen rustig. De eerste in Utrecht niet. Hier laat zich Abdou Menebhi, de latere aanvoerder van het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland, voor de eerste keer horen.

Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland

DAR en het BAK, beide als alternatieve autochtone belangenorganisaties voor buitenlanders actief in Amsterdam, vergaderen regelmatig met andere vergelijkbare progressieve clubs elders in het land. Samen geven ze een Informatie Bulletin werkgroepen buitenlandse arbeiders uit. De toon in het Informatie Bulletin is met name marxistisch. Vooral de Leidse studentenvereniging NESBIC spreekt zich zeer principieel anti-imperialistisch uit en streeft op termijn de revolutie na, zowel in Nederland als in de landen van herkomst. Voor revolutionaire veranderingen in Nederland lijkt hen daarbij de marxistische aanpak het meest geschikt, met inzet van de vakbonden; voor die in de thuislanden eerder een maoïstische aanpak.

Een van de partijen die aan de landelijke overleggen eerste helft jaren zeventig deelnemen is Aktiekomitee Pro Gastarbeider uit Rotterdam (1969), onder leiding van Nelly Soetens. Soetens richt zich met haar Aktiekomitee in eerste instantie op wantoestanden in pensions, maar begint in 1970 ook taallessen aan buitenlanders te geven. Wanneer in 1972 de eerste Nederlandse rassenrel plaatsvindt, waarbij een incident tussen een Turkse huisbaas en een door hem op straat gezette Nederlandse huurster tot woedende acties van autochtone buurtbewoners leidden, die als represaille inboedels van Turkse pensions en gezinnen op straat werpen, is het Pro Gastarbeider dat alarm slaat. Soetens ziet de rellen als eerste teken dat het misgaat met de onderlinge verstandhouding tussen gastarbeiders en autochtonen. Zij wijt dit overigens met name aan de slechte woonomstandigheden van gastarbeiders, die massaal in arme wijken terechtkomen waar vanwege het massale karakter van de invasie weerstand aan het ontstaan is bij autochtone groepen.

Nelly Soetens is behoorlijk radicaal. Zo heeft ze bijvoorbeeld moeite met het toetreden van DAR tot het landelijk verband van alternatieve groeperingen ter ondersteuning van gastarbeiders. Het DAR is namelijk niet marxistisch genoeg in de analyse. Het is ook Nelly Soetens die bij de oprichting van de Amicales, op 14 december 1974 in Utrecht, bewust Marokkaans-Frans vakbondsman Abdou Menebhi uit Parijs laat overkomen om de oprichtingsbijeenkomst te verstoren. Mogelijk was Menebhi haar opgevallen als demonstratieleider bij eerdere Franse protesten bij de oprichting vcan een vergelijkbare organisatie in Parijs. Hoe dit ook zij, Menebhi grijpt op de bijeenkomst 14 december volkomen onverwacht en ongevraagd het woord en spreekt een krachtig protest uit tegen de oprichting van de Amicales, steunpunt in Nederland van de fascistische Marokkaanse overheid. Laat die overheid beter voor de Marokkanen in Marokko zorgen, maar wegblijven uit Nederland. Direct na zijn toespraak verlaat Menebhi de zaal weer en vertrekt met de trein naar Parijs.

Abdou Menebhi is in Parijs lid van de door vermoord oppositieleider Ben Barka opgerichte Association des Marocains en France, een felle progressieve dissidentenbeweging, die al sinds 1961 bestaat. De organisatie zet zich enerzijds in voor positieverbetering van Marokkaanse arbeiders in Frankrijk en anderzijds bestrijdt de organisatie het Marokkaanse regime, met name door het publiek in Europa te informeren over de repressie van de oppositie in Marokko. Het AMF is in Frankrijk een felle tegenstander van de daar ook zojuist opgerichte Amicales. Menebhi is al vroeg bij de beweging betrokken. Al in 1965 is de overtuigd aanhanger van Ben Barka als 13-jarige scholier aanwezig bij protesten in zijn geboorteplaats Larache. In Parijs ontwikkelt hij zich verder als activist en vakbondslid en woont bijna alle demonstraties bij die gehouden worden, met de bejaarde intellectueel Sarte vaak aan kop. Vanaf 1974 organiseert Menebhi zelf anti-racisme en pro-Palestina demonstraties in Parijs. Op de een of andere manier komt Soetens hem daar vermoedelijk ergens tegen.

Het Utrechts anti-Amicalesoptreden van Menebhi slaat in als een bom. Met name Ineke van der Valk, op dat moment betrokken bij het BAK-Jordaan, is diep onder de indruk van de jonge activist, die al vrij spoedig daarna haar partner zal worden. Aangezien het BAK op dat moment uit anti-imperialistische overwegingen juist tot de overtuiging is gekomen dat de verdere ontwikkeling van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland niet langer door Nederlanders (en met name niet van die van Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam), maar door de Marokkanen zelf moet worden begeleid, wordt hernieuwd contact gezocht met Menebhi. Hij lijkt de uitgelezen persoon om de leiding te gaan nemen in een op het programma staande actie: het afdwingen van legalisering van een grote groep op dat moment illegale gastarbeiders.

Blijven of vertrekken

Met name vanaf de oliecrisis van 1973 is duidelijk dat er in Nederland geen behoefte aan nieuwe gastarbeiders meer is. De wervingscontracten worden stilgelegd. Het aantal nieuwe binnenkomers in Nederland lijkt echter niet af te nemen. Dat heeft niet alleen te maken met de grote hoeveelheid illegale werkers, met name uit Turkije en Marokko, die zich inmiddels in Nederland gevestigd heeft, maar ook met het toenemend aantal gezinsherenigingen. Het kabinet den Uijl, net aan de macht gekomen, zit er maar mee. Als oplossing wordt in eerste instantie gekozen voor wat in de volksmond ‘oprotpremie’ gaat heten: of na twee jaar vanaf heden met een vertrekpremie (van vijfduizend gulden) naar huis gaan, of een contract voor onbepaalde tijd bemachtigen. De ‘oprotpremie’ haalt het echter niet en wordt ingetrokken.

Wanneer in 1974 de laatste Limburgse mijn gesloten wordt, begint de hoeveelheid overbodige al dan niet illegale gastarbeiders steeds dramatischer vormen aan te nemen. Het is inmiddels ook duidelijk geworden dat juist de Marokkaanse en Turkse migranten grotendeels niet van plan zijn weer naar het thuisland terug te keren. Dat betekent dat de Nederlandse regering zich begint te realiseren dat de aanwezigheid van deze twee groepen blijvend is in de Nederlandse samenleving. Het kabinet Den Uijl stelt daarom in 1975 een generaal pardon in voor alle illegalen die kunnen aantonen dat ze vanaf 1 november 1974 werkend aanwezig zijn. Voor zover bekend maken hier in totaal 16.000 tot dat moment illegale arbeiders gebruik van.

Het BAK is inmiddels in radicaler vaarwater terechtgekomen. Nadat in vele buurten samenwerkingsverbanden met buurthuizen van allerlei soorten achtergrond zijn ontstaan en de beweging ongrijpbaar is geworden voor de logge en weinig productieve professionele Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam (die in 1973 wordt opgeheven maar een doorstart kent onder een nieuwe naam), wordt nu bekeken wat de verdere koers moet zijn. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat de buitenlandse werknemer bewust en georganiseerd moet gaan worden. Want de gemiddelde immigrant uit het Middellandse Zeegebied is anders dan de gemiddelde buurtbewoner. Dat moet niet tot tegenstellingen binnen de wijken leiden, aldus een uitgave uit het BAK-archief van ca. 1973. De buitenlandse arbeider zou met enige scholing een prima bondgenoot kunnen zijn voor de Nederlandse buurtbewoner die zich actief in wil zetten voor een betere buurt, aldus het BAK.

Een moeilijkheid bij dit alles is dat de buitenlandse arbeider zichzelf veelal niet bewust is van de machten waarin hij betrokken is. Komende uit de landen rond de Middellandse zee is hij in het algemeen vertrouwd met een sfeer van korruptie en willekeur, ook van de zijde van officiële personen en instanties en heeft daarom weinig hoop op verandering. Hij zal dan ook, mede op grond van zijn individuele instelling, de taalproblemen en de vrees voor uitzetting, niet gemakkelijk vertrouwen stellen in en deelnemen aan de gezamenlijke akties van buurtbewoners voor verbeteringen.

Wanneer dit door de Nederlandse buurtbewoners niet onderkend wordt, zal men de buitenlandse arbeider niet als medestander, maar bijna vanzelfsprekend als tegenstander gaan zien, en als zodanig tegemoet treden. Dan ontstaan spanningen en gevoelens van onbehagen die zich uiten door gebrek aan begrip en een vooringenomenheid die gemakkelijk tot diskriminatie kunnen leiden. De Amsterdammers die in saneringsbuurten wonen zullen zich moeten realiseren dat de buitenlanders, evenals zijzelf de dupe worden van veelal dezelfde profiteurs.

Solidariteit dus, en gezamenlijk optrekken tegen de kapitalistische tegenstander, zowel in Nederland als in de thuislanden. Dat wordt steeds meer de teneur van de BAK-uitgaven. Met deze gezamenlijke doelstelling voor ogen wordt het dan ook hoog tijd dat de Marokkanen zichzelf gaan organiseren.

Van dat gezamenlijk organiseren komt echter vooralsnog weinig terecht. De Marokkaanse sociëteit heeft na een vergeefse verhuispoging naar de Planciusstraat het Koning Willemshuis inmiddels verlaten en zit nu in een buurthuis in de Kinkerbuurt. Daar gebeurt verder weinig wereldschokkends meer. De Al Kabir moskee is ook bepaald niet de plek om actievoerend Marokko te verenigen, met name niet vanwege de Amicales-aanwezigheid. Het BAK besluit zelf een linkse Marokkaanse organisatie op te gaan richten. Dit gebeurt na een demonstratie van het BAK, het Turkse HTIB en de Surinaamse Loson tegen de reguleringsmaatregel en tegen het discriminerend optreden van de Amsterdamse vreemdelingenpolitie, op 13 september 1975. Voorzitter van het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland, het KMAN, wordt Abdou Menebhi. Het KMAN kan meteen aan de bak, wanneer op 4 oktober 1975 een hongerstaking van 30 illegale Marokkanen in de Amsterdamse kerk de Duif aanvangt.

Buitenlandse werknemers in de Indische Buurt

Hoe is het inmiddels in de Indische Buurt? Over de periode 1970-1975 is helaas vanwege het weggooien van het complete archief van de Tong Tong bij het opbreken van het welzijnswerk in de jaren 2000-2010 helaas weinig bekend. Wel wisten wij nog enige exemplaren op de kop te tikken uit de jaren 1971- 1973. In het eerste exemplaar van september 1971 lijkt nauwelijke enige aanwezigheid van Marokkaanse buurtbewoners aan te treffen te zijn. Er is bijvoorbeeld dan ook geen enkele allochtone inbreng in het door het Wijkcentrum in het Bavohuis georganiseerd buurtfestival dat van 26 september tot 2 oktober dat jaar loopt. Wel wordt opgemerkt dat de in de vorige Tong Tong aangekondigde aparte hooravond voor buitenlandse arbeiders niet door gaat.

Na besprekingen met de in deze materie gespecialiseerde instanties moeten wij tot de conclusie komen dat het niet nodig is een aparte avond voor deze categorie buurtbewoners te organiseren. Natuurlijk kunnen zij net als andere buurtbewoners hun problemen voorleggen op de grote hooravond op donderdagavond 30 september in het Bavohuis. Wel wordt er dan gezorgd voor tolken, zodat er geen taalproblemen bestaan.

In het novembernummer van 1971 komen in het geheel geen buitenlandse arbeiders voor. Op de hooravond van 30 september lijken geen buitenlanders te zijn verschenen. Alleen bij de geboorteberichten is onder de 19 geboorten een naam te vinden die Turks aandoet, namelijk Emis G. Ozsoy. Onder de 22 sterfberichten is geen enkele niet Nederlandse naam te vinden.

Het nummer van juni 1972 laat weer weinig sporen van buitenlandse aanwezigheid in de Indische Buurt zien. Wel worden bij de geboorteberichten onder andere genoemd Omar T. Kõknel, Adil Tamaditi, Vicozo Batista, Anthonius Vega, Mena Outaleb. Overleden is Ricaldo Marcellin. Op een totaal van 52 geborenen en 73 overledenen is dit een beperkt aantal buitenlands aandoende namen, maar het zijn er toch aanzienlijk meer dan in 1971.

In de laatste in ons bezit zijnde Tong Tong uit de eerste helft van de jaren zeventig, het nummer van december 1973, is al meer aandacht voor buitenlanders. In dit nummer wordt namelijk een speciale filmavond voor Marokkaanse, Tunesische, Turkse en Spaanse buurtbewoners aangekondigd, een en ander blijkbaar tot stand gekomen naar aanleiding van de Wereld Folkloremarkt die in oktober 1973 werd gehouden. Er blijkt inmiddels een Werkgroep Buitenlandse Buurtbewoners gevormd binnen de Stichting Sociaal Cultureel Wijkcentrum Indische Buurt. Vermoedelijk is deze werkgroep tot stand gekomen na benadering van het BAK, maar zeker is dat niet omdat een en ander vooralsnog niet te documenteren valt.

De groep wil trachten zoveel als in haar vermogen, hulp en voorlichting te verstrekken aan alle buitenlandse buurtbewoners en proberen voor de problemen op velerlei gebied van deze buurtgenoten gezamenlijk een oplossing te vinden. Om de Nederlandse en buitenlandse buurtbewoner wat meer in kontakt te brengen en te informeren rond elkaars leefgewoonten, zal er op zaterdagavond 5 januari 1974 een Arabische film, op zondagmiddag 13 januari 1974 een Turkse film en op zondagmiddag 20 januari een Spaanstalige speelfilm worden vertoond in het Bavohuis, Sumatrastraat 2. De toegang is gratis en aan Tunesiers, Marokkanen, Turken, Spanjaarden van wie de adressen bekend zijn, zal enige dagen voor de filmvoorstelling een herinneringsbriefje worden gestuurd.

Vazelfsprekend zijn bij deze films ook Nederlanders van harte welkom. Tenslotte nog dit± in de Openbare Bibliotheek en Leeszaal Molukkenstraat 162, kunt u tegen een kleine vergoeding boeken lenen geschreven in het Arabisch, Turks, Spaans, Italiaans, Portugees, Joegoslavisch, Frans, Duits en Engels.

De aankondiging wordt niet alleen in het Nederlands gedaan, maar ook in het Frans voor de Tunesiers en de Marokkanen (het Arabisch is blijkbaar nog niet haalbaar), in het Turks en in het Spaans. Italianen zijn er in de buurt blijkbaar niet. De geboortecijfers melden deze maand de volgende mogelijk buitenlandse namen. Redi Benaamar, Manito Kornet, Nicole Dasia, Mirko Samulovic, Benito Rumuller, Artuur Karakas, Darja Zock, Serpil Erturk, Mustafa Dolanay, Mustapha Bouchir en Aysil Seker. Op het totaal van 39 geborenen zijn dat er weer wat meer dan een jaar eerder, maar veel Marokkaanse namen worden nog steeds niet gevonden. Bij de overledenen zijn deze maand helemaal geen buitenlands aandoende namen aan te treffen.

Voor de jaren direct na 1973 zijn we slecht geinformeerd wat betreft de Marokkaanse Indische Buurt. De Werkgroep Buitenlandse Buurtbewoners schijnt te functioneren, en uit de groep zelf worden mogelijk wat minimale pogingen gedaan om tot religieuze activiteiten over te gaan. Heel duidelijk is het allemaal nog niet. Iedereen lijkt vooral bezig om in een marginaal bestaan zoveel mogelijk geld te verdienen. Deze stand van zaken gaat echter drastisch veranderen vanaf 1975, wanneer het KMAN wordt opgericht.

Zelforganisatie

Abdou Menebhi, de eerste voorzitter van het KMAN, is een gedreven en briljant actievoerder en organisator. Het blijft onduidelijk hoe een en ander exact tot stand is gekomen en welke partijen hierbij met elkaar gesproken hebben, maar na een aantal ontmoetingen besluit deze in Parijs werkzame vakbondsactivist naar Nederland te komen om daar het op te richten KMAN te gaan leiden. Het KMAN wordt opgericht vanuit de gelederen van het BAK Jordaan. Rond deze club werden al eerder wat satellieten opgericht met een politiek doel. Ter herinnering: in eerste instantie was het BAK min of meer het uitvoerend orgaan in de wijken van DAR, als tegenwicht tegen de Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers in Amsterdam. De Stichting wordt echter in 1973 opgeheven en DAR leidt steeds meer een slapend bestaan. Wel wordt de Stichting hetzelfde jaar door de Amsterdamse overheid vervangen door een nieuwe Stichting, de Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers, maar daar wordt vooralsnog niet direct veel van vernomen. Het zijn dus voortaan vooral de diverse BAK afdelingen in de buurten die zich concreet met de buitenlanderproblematiek bezighouden.

Het BAK is voor zover bekend nooit in de Indische Buurt actief geweest, waar het bekende Sociaal Cultureel Wijkcentrum Indische Buurt vooralsnog rustig zijn bedaarde gang blijft gaan. Wel zijn er BAK afdelingen in de Staatsliedenbuurt, in de Jordaan, op de Overtoom, in de Pijp, in de Schinkelbuurt en in de Kinkerbuurt., waar in samenwerking met allerlei welzijnsinstellingen en buurthuizen spreekuren gehouden worden, taallessen gegeven, op allerlei wijzen geprobeerd wordt de buitenlander te ondersteunen, en ook regelmatig gedemonstreerd wordt. Steeds meer leidend daarbij is de gedachte dat de buitenlander en de Nederlander de krachtenmoeten bundelen en samen moeten optrekken ter verbetering van de maatschappij in progressieve zin, zowel in Nederland als in het thuisland, in dit geval Marokko.

Terwijl met name het BAK Jordaan nu voorbereidingen aan het treffen is voor de definitieve oprichting van het KMAN, ter gelegenheid van de onvrede wat betreft de legaliseringswetten van Den Uijl, is de nieuwe Stichting Welzijn bezig te onderzoeken of het mogelijk is in Amsterdam zogenaamde Migrantenraden op te richten. Voor dit idee wordt in Amsterdam met name gestreden door het zogenaamde Podium Migranten. In Utrecht is in mei 1973 – plannen bestaan sinds 1970 – de eerste migrantenraad opgericht in navolging van België (1969), en ook in Amsterdam verwacht men er veel van. Via migrantenraden kunnen buitenlanders zichzelf gaan besturen en zich als belangengroep organiseren. Het Podium Migranten, dat nauw samenwerkt met het Rooms Katholieke Mozeshuis, onder leiding van Franciscaan Hein Lagerberg, en andere katholieke instellingen, is van mening dat migranten politiek veel meer inbreng in de Nederlandse maatschappij zouden moeten hebben en dat dit door vertegenwoordigende lichamen per etniciteit tot stand gebracht zou kunnen worden.

Problematisch is wel de borging van het democratisch karakter van dergelijke vertegenwoordigende lichamen. Dat is niet goed mogelijk zonder zeer ingewikkelde verkiezingen waarvan het de vraag is in hoeverre de vertegenwoordigde groep hier uberhaupt aan deel wil nemen. Het gebrek aan democratische borging wordt lang niet door iedereen als problematisch gezien, en met name niet door de zich als leider ontpopt hebbende vertegenwoordigers van diverse etnsiche organisaties. Zo geeft een zekere Marquez, leider van de Portugese communisten (CCOO) in de besprekingen rond de oprichting van de Utrechtse migrantenraad in 1973 aan dat de Portugezen nu eenmaal geen democratie kennen. Wat belangrijker is, is dat voorkomen moet worden, dat de vertegenwoordigers in de migrantenraad in contact met hun respectievelijke ambassades zouden staan. En uiteraard, aldus de gedeelde opvatting van alle deelnemers aan de bespreking, dient de migrantenvertegenwoordiger over progressieve opvattingen te beschikken.

In nvember 1973 dient het Mozeshuis in Amsterdam bij de Stichting Welzijn een begroting in voor de oprichting van een Migrantenparlement. Bijgevoegd is een verklaring aan alle buitenlandse werknemers gericht en die als volgt luidt.

NAAR EEN MIGRANTENPARLEMENT

AAN ALLE BUITENLANDSE ARBEIDERS IN AMSTERDAM

OPROEP

Buitenlandse arbeiders zijn zogenaamd te `gast´ in Nederland. Nederland is zogenaamd een ´demokratisch´ land, d.w.z. dat iedere burger een stem heeft en recht heeft om wat ´boven´ beslist wordt mee te beinvloeden.

Maar buitenlandse arbeiders hebben geen stem. Zij moeten lijdzaam afwachten, wat voor hen en over hen, over hun lot wordt beslist. Anderen, door de nederlandse overheid aangesteld, maken uit, hoe het welzijnswerk hier m.b.t. buitenlandse arbeiders wordt gevoerd, en hoe het gemeenschapsgeld – dat mede door buitenlandse arbeiders wordt verdiend – moet worden besteed.

Een jaar lang is het Podium Migranten – d.i. een samenwerkingsverband van vele buitenlandse groeperingen en aktiegroepen – kritisch bezig met de vraag, hoe het welzijnsbeleid voor buitenlandse arbeiders het best kan worden opgezet – hoe dat m.n. van onderop tot stand kan komen – hoe buitenlandse arbeiders zelf op reële wijze in dat beleid medezeggenschap kunnen krijgen.

De konklusie is: ER MOET IN AMSTERDAM EEN MIGRANTENRAAD KOMEN, of liever: EEN MIGRANTENPARLEMENT.

Parlement betekent letterlijk: middel om te spreken, een middel om een stem te hebben, een middel tot (mede)zeggenschap.

Een Migranten-parlement, met reële bevoegdheden tot beleidsbepaling, en beleidskontrole, t.a.v. wat de overheid of de Stichting doet. Een Migranten-parlement, demokratisch verkozen door alle amsterdamse buitenlandse (legale of illegale) arbeiders. Een Migranten-parlement dat onafhankelijk is van overheden en ambassades.

Wij roepen alle buitenlandse arbeiders in Amsterdam op, dit plan te steunen. Het wordt tijd, dat de stem van de buitenlandse arbeiders wordt gehoord. Maar daarvoor is IEDERE stem noodzakelijk! Alleen als buitenlandse arbeiders zich massaal achter deze zaak scharen, kunnen zij stem krijgen die gehoord kan worden, of kunnen zij een vuist maken.

Het motto zou opnieuw kunnen zijn: arbeiders uit alle (niet-nederlandse) landen, verenigt u achter dit plan. Het is in ons aller belang!

Er is inmiddels al wel wat kritiek ontstaan op de Migrantenraad zoals die inmiddels in Utrecht functioneert, vanwege etnische concentratie en het mogelijk in de hand werken van nationalisme. Initiatiefnemer van de Utrechtse Migrantenraad Sjef Teunis laat op zijn beurt kort en krachtig weten dat hij er in ieder geval geen probleem in ziet dat de constructie het nationalisme onder migrantengroepen bevordert.

Dat is misschien wel zo, maar mag dat misschien? Nederlanders zijn ook nationalistisch, daarom zijn het ook zulke grote uitbuiters in de derde wereld.

Een ander bezwaar is de relatieve onervarenheid van buitenlandse werknemers bij het besturen van hun eigen vertegenwoordiging. Kan dit volledig aan de buitenlander worden overgelaten, zonder Nederlandse inbreng? Volgens Teunis wel.

Ik ben er voor, dat de besturen van de diverse stichtingen voor gastarbeiders helemaal uit buitenlanders bestaan. Sommige bestuursleden verklaren met voor gek. Maar ik vraag me af, of onze politiek er bewust op gericht moet zijn, om de buitenlander te integreren. Moeten we dat niet aan hemzelf overlaten?

Het grootste bezwaar is en blijft echter de representativiteit van de vertegenwoordigers. Het is uiteraard niet doenlijk om onder alle legale en illegale buitenlandse arbeiders van een bepaalde afkomst verkiezingen te laten houden voor de migrantenraad. Hoe weten we dan dat de vertegenwoordigers namens hun achterban spreken, en niet een eigen politiek programma voeren? Dit is een probleem waar vooralsnog geen oplossing voor is. Maar wanneer we er in ieder geval voor zorgen dat de migrantenraden worden gevuld met progressieve buitenlanders, die geen band hebben met de over het algemeen corrupte en vaak fascistische regeringen van hun thuisland, gaan we in ieder geval de goede kant op. Dat is wel de heersende gedachte in de progressieve kringen die zich met ondersteuning van buitenlanders bezighouden.

Hongerstaking

Alhoewel enige tienduizenden illegale werknemers zich tijdens het Den Uijl-pardon in 1975 weten te legaliseren, zijn er nogal wat migranten uit onder andere Marokko die niet in aanmerking komen voor het legaliatieproces. Een klein deel zal geleid door het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland in hongerstaking gaan. Dit zijn de beroemde kerkmarokkanen, die vanaf 4 oktober 1975 in eerste instantie als groep van 30 personen in de Amsterdamse kerk de Duif tijdelijk domicilie nemen. De Duif (eerder Sint Willibrord Binnen de Veste) heeft zich onder leiding van een groep parochianen in 1974 losgemaakt uit de Rooms Katholieke kerk, is als Oecumenische Basisgemeente voor zichzelf begonnen en steunt de hongerstaking in haar kerkgebouw onvoorwaardelijk. Inzet van de staking is onvoorwaardelijke legalisering van alle illegale arbeiders in Nederland.

Het is niet geheel duidelijk of deze eerste hongerstaking volledig door het KMAN wordt geregisseerd (vanaf 1972 was de hongerstaking voor illegalen in Parijs al een werkend middel gebleken). De actie is in ieder geval een groot succes. Meer dan 200 illegale Marokkanen weten tijdens de nasleep van de hongerstaking alsnog een Nederlands paspoort te bemachtigen. Het succes smaakt naar meer en vrijwel aansluitend ontstaat een nieuwe groep die in hongerstaking gaat. Deze keer is de inzet breder geformuleerd. Behalve de persoonlijke legalisatie van alle illegale werknemers dienen razzia`s op illegalen en uitwijzingen direct te worden stopgezet. Daarnaast dienen koppelbazen te worden gestraft, wordt directe stopzetting van de voorbereiding van de Wet Arbeid Buitenlandse Arbeiders geëist en tenslotte dienen de Amicales bestreden te worden.

In eerste instantie bezetten de hongerstakers op 2 november 1975 de Al Kabir moskee in de Van Ostadestraat, maar dat is wel wat veel gevraagd. De actie wordt door de moskeegangers – de moskee is aan de Amicales gelieerd –  bepaald niet gewaardeerd en al spoedig verlaten de hongerstakende actievoerders de moskee weer. Ze krijgen nu een asielplaats aangeboden in de Mozes en Aaronkerk, waar onder conditie van het aloude kerkasiel de actie kan worden voortgezet.

Mede door een goed georganiseerde publiciteit ontstaat in Nederland een enorme solidariteit met de nieuwe groep hongerstakers tot stand. Honderden kerken en kerkelijke en progressieve organisaties betuigen hun solidariteit. De zittende staatssecretaris Zeevalking van onder andere vreemdelingenzaken is echter niet van plan om voor een tweede keer te wijken. Hij kondigt daarom enige minimale versoepelingen aan en is van plan het daarbij te laten. Al met al besluiten de hongerstakers (het zijn er maximaal 182) daarom hun hongerstaking voorlopig te beeindigen, maar wel als kerkasielzoekers in de kerken te blijven zitten. Het wordt een gezellige bende. Zowel het KMAN als de ondersteunende organisaties hebben hun handen vol aan de organisatie. De Vincentiusvereniging zorgt voor het voedsel. Het verblijf van de 182 wordt beeindigd in januari 1976.

Daarmee is het laatste woord nog niet gezegd. Het KMAN organiseert nu overal in den lande solidariteitscomite`s, die in 14 steden acties voeren. Tientallen organisaties zetten druk op Den Haag, er wordt beroep aangetekend bij de Raad van State, er worden blokkades (picket-lines) gehouden, maar ondanks de inzet van onder andere FNV, Raad van Kerken en Amnesty International vangen de 182 via de rechtsgang uiteindelijk bot. De Raad van State doet namelijk op 20 april 1978 een negatieve uitspraak. Er komt definitief geen verblijfsvergunning voor de 182. Maar nog steeds is Menebhi niet verslagen. Het KMAN zet nogmaals alles op alles en weet in het land een nog grotere protestbeweging op poten te zetten, onder de dubbele te scanderen leus `182 blijven` en `Amicales weg`. De ondersteuning vanuit met name kerkelijke kring is groter dan ooit en met name de progressieve pers begint zich massaal achter de hongerstakers te scharen.

De nieuwe CDA-staatssecretaris Haars (in december 1977 is het kabinet Van Agt aangetreden) is inmiddels belast met de uitzetting van de definitief afgewezen hongerstakers. Die moeten in principe voor 1 augustus het land verlaten. Dit feit is aanleiding tot een nieuwe hongerstaking, dit keer weer in De Duif. Een raadgevend steuncomite wordt gevormd uit onder andere de FNV en de kerken. Ook vele Nederlanders – waaronder geestelijken en leden van politieke partijen – starten uit solidariteit een hongerstaking. In de Duif worden continu-gebedsdiensten gehouden waaraan alle mogelijke geestelijken van allerlei gezindten aan meewerken. Alleen wanneer Ramadan gevierd moet worden, gaan de hongerstakers tijdelijk naar een bijgebouw. In een kerk kan dit nu eenmaal niet gevierd worden.

Een groot scala aan acties in de tweede helft van augustus barst landelijk bijna jubelend uit. Zo is er ‘Rock against racism’ in de Amstelkerk, zijn er overal te lande benefietconcerten en vinden allerlei soorten ludieke acties plaats in tientallen steden. Ook bisschoppen, de Wereldraad van Kerken, B&W van Amsterdam, de grote vakbonden en zeer vele andere partijen scharen zich nu achter de hongerstakers. Zelfs Koningin Juliana zegt na ontvangst van een brief van de stakers toe om de bijzondere aandacht van de regering voor de hongerstakers te vragen. FNV-voorman en later minister president Wim Kok spreekt in een openbare rede zijn afschuw uit.

Ik heb geen goed woord over voor een regeringsbeleid dat de a-sociale en illegale praktijken van werkgevers beschermt en de meest zwakke arbeiders onderdrukt door hun door middel van uitzetting een boete te laten betalen voor iets, waaraan zij niet als eerste schuldig zijn. […] Jullie strijd is onze strijd en we laten jullie niet in de steek.

De hongerstakers trekken inmiddels triomferend door het land, bezoeker woningen van politieke tegenstanders, zijn demonstratief aanwezig bij plaatselijke kerkdiensten en missen van de politieke beslissers, slapen in kloosters en worden door heel progressief Nederland maar vooral door de kerken op handen gedragen. Kortom, de situatie wordt voor kabinet en staatssecretaris volkomen onhoudbaar, en op 17 oktober gaat men overstag. De 182 mogen blijven. Het nieuws wordt als eerste gebracht door een dolgelukkige Ria Beckers van de PPR. `s Avonds is er een uitgelaten triomffeest in de Duif. Het volk of in ieder geval het weldenkende deel daarvan heeft de overwinning behaald op het kabinet Van Agt.

En dit alles in werkelijkheid dankzij de bijna beangstigende organisatietalenten van Abdou Menebhi, die het KMAN al vanaf het begin vrijwel direct volledig naar zijn hand zet en als alleenheerser regeert. Deze triomf is voor Menebhi bepaald nog niet het einde van het verhaal. Het is pas het begin.

Draagvlak

De legalisering van de 182 kerkmarokkanen is een enorme triomf voor het KMAN. De organisatie, die vanwege haar progressief-seculiere positie in principe weinig draagvlak onder de grote groep meer traditioneel ingestelde Marokkaanse gastarbeiders heeft, wint enorm aan prestige binnen de doelgroep, die voortduurt tot vandaag de dag. Het KMAN blijft daarbij een club van getrouwen, die zich goed aansluit bij de Nederlandse progressieve beweging maar bepaald niet representatief beschouwd kan worden voor de Marokkaanse arbeiders in Nederland. Toch zal ze zich, met behulp van Nederlandse progressieve partijen, met name in Amsterdam steeds nadrukkelijker als alleenvertegenwoordiger van de Marokkaanse migranten gaan presenteren.

Vrijwel direct na oprichting begint het KMAN afstand te nemen van de diverse BAK-groepen in de stad. Het BAK is niet meer nodig. Dat wordt met name duidelijk tijdens de plenaire BAK-vergadering van 14 april 1976, waarin Tunny Jongejan – die zich later namens o.a. het KMAN zich nadrukkelijk in o.a. de Indische Buurt gaat inzetten – namens Ineke van der Valk en zo namens het KMAN mededeelt dat deze organisatie alle banden met het BAK verbreekt. Formeel hangt de breuk samen met enkele Nederlandse bestuursleden van het BAK, waar het KMAN geen vertrouwen in heeft. Het KMAN zal haar eigen steuncomité’s in de diverse wijken gaan versterken. Individuele BAK-leden mogen nog wel toetreden indien gewenst, maar met het BAK doet het KMAN geen zaken meer. Kortom, het KMAN weet in no time het hele netwerk van het BAK over te nemen. Van de laatste organisatie wordt weinig meer vernomen.

Een andere concurrent van het KMAN blijft natuurlijk Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers. Het zal tot 1980 duren dat de strijd daarmee in het voordeel van het KMAN beslecht wordt. Tenslotte zijn de voor alleenvertegenwoordiging meest bedreigende tegenstanders natuurlijk alternatieve Marokkaanse zelforganisaties, waarvan de Amicales de gevaarlijkste zijn. Om deze tegenstanders uit te kunnen schakelen hanteert het KMAN een dubbele tactiek. Enerzijds laat de organisatie niets na om voortdurend nadrukkelijk op het fascistisch karakter van de Amicales te wijzen in woord maar ook – met bevriende progressieve organisatie – vooral in daad. Anderzijds wordt iedere organisatie die zich niet direct aan het KMAN onderschikt bestempeld als Amicales-aanhanger en daarmee als fascistisch. Fascisme is in de tweede helft van de jaren zeventig een hervonden toverwoord, dat in de crisissfeer als generale term buitengewoon goed gedijt. De term heeft een breed gebruik. Zo wordt een tamelijk onheilige koppeling gemaakt tussen de vervolging van de Joden in de Tweede Wereldoorlog en het uitzetten van illegale buitenlandse arbeiders in de jaren zeventig. Ook autochtone protesten tegen massale aankomst van migranten in achterstandswijken wordt in grote delen van de progressieve beweging als fascistisch en daarmee in theorie leidend tot massavernietiging bestempeld.

Subsidie

In de Indische Buurt is het inmiddels stukken drukker geworden vanwege arriveren van grote aantallen relatief grote migrantengezinnen. In tegenstelling tot maar enkele jaren eerder is de aanwezigheid van buitenlanders in de buurt bepaald niet langer onopgemerkt. Met name in het onderwijs wordt met voor volstrekt nieuwe vraagstukken gesteld, zo blijkt uit het informatieblad van de Onderwijs Werkgroep Indische Buurt. Op 20 november 1978 vindt een brede onderwijsdiscussie plaats, waarbij vertegenwoordigers van scholen uit de buurt samen nadenken over de vraag hoe buitenlandse ouders het beste bij het onderwijs betrokken zouden kunnen worden. Vanwege taalproblemen is dit niet gemakkelijk. Inmiddels bestaat op een aantal scholen inmiddels minstens de helft van de klas uit migrantenkinderen. Daarbij is er ook nog sprake van voortdurende verhuizingen. Kortom, het is erg moeilijk onderwijs geven in deze nieuwe situatie, is de voorlopige conclusie van de bijeenkomst.

Het KMAN is zich na de triomfen op het kabinet Van Agt begonnen in de Amsterdamse wijken als alleenvertegenwoordiger van de Marokkanen te presenteren. In de praktijk is dat nog niet zo gemakkelijk, met name bij gebrek aan kader en achterban om de plaatselijke vertegenwoordiging in te vullen. In Oost lukt dat wel: al in 1977 is er een vestiging KMAN Oost, in Ons Huis op Zeeburgerdijk 23. Vanuit deze lokatie worden samen met het plaatselijke welzijnswerk taallessen gegeven en tracht de organisatie de Marokkaanse belangen in onder andere de Indische Buurt te behartigen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in 1979, wanneer een aantal slecht betaalde werknemers van het noodlijdende abbatoirbedrijf C.T.H. onder leiding van het KMAN voor loonsverhoging in staking gaat. Alhoewel de staking uiteindelijk na enige schermutselingen voor de stakers tot een goed einde komt en ook loonsverhoging plaatsvindt, komt het alweer spoedig tot een tweede staking, vanwege een door het personeel onterecht ervaren ontslag van een collega. Ook deze staking wordt na enige schermutselingen gewonnen. Het bedrijf C.T.H. gaat echter bijna direct hierop failliet.

Het KMAN is inmiddels ook aan zijn mars door de instituties begonnen en heeft zich verenigd met een aantal andere progressieve categorale organisaties tot het zogenaamde – in eerste instantie niet door de Gemeente erkende – Platform van Democratische (de term ‘democratisch’ dient om als fascistisch bestempelde organisaties buiten de deur te houden en staat niet voor het intern-democratisch karakter van de deelnemende organisaties) Organisaties van Buitenlandse Arbeiders. Streven van het Platform is om de subsidieondersteuning voor buitenlanders, die tot nu toe vooral naar de Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers en ook naar andere professionele welzijnsondersteuners gaan, via de migranten zelf en met name via de zelforganisaties te laten lopen. Ook het migrantenbeleid zou met name door de migranten zelf, dat wil zeggen door de democratische platformorganisaties, gevoerd moeten worden.

Het Platform wordt in haar streven tot zelfstandigheid en het bestrijden van de als weinig productief ervaren paternalistische Stichting Welzijn ondersteund door de Amsterdamse progressieve partijen. Ter overname richt het Platform zich in eerste instantie in juni 1978 met een aantal eisen tot de Stichting:

  1. De SWBW zal al haar middelen en man- resp. vrouwkracht ten dienst moeten stellen om het vooral door buitenlandse arbeiders uitgestippelde beleid uit te voeren en dient ondersteunend te werken naar organisaties van buitenlandse arbeiders toe.
  2. Dit betreft bijvoorbeeld ook het personeelsbestand, het subsidieringsbeleid, standpunten betreffende integratie etc. alsmede het verlaten van de zogenaamde neutraliteitspolitiek.
  3. De standpuntbepaling van de SWBW m.b.t. integratie dient opnieuw ter diskussie gesteld te worden en het beleid zal opnieuw geformuleerd moeten worden.
  4. De SWBW neemt konsekwent stelling tegen anti-demokratiese, eng-nationalistiese en/of fascistiese organisaties en zal ook geen vertegenwoordigers daarvan in haar organisatie en haar bestuur toelaten.
  5. De bestuurssamenstelling zal binnen 1 jaar voor een meerderheid van bestuursleden door buitenlanders moeten worden gekozen.

 

Intussen is er landelijk echter door het ministerie van C.R.M. een heel andere lijn ingezet. Nu de gastarbeiders eenmaal in Nederland zullen blijven – in tegenstelling tot wat eerder verwacht werd – moet het afgelopen zijn met de categorale ondersteuning van groepen. Die categorale ondersteuning was er immers altijd op gericht de buitenlandse werknemer aansluiting bij zijn of haar cultuur te doen houden, zodat men op termijn pijnloos weer in het thuisland zou kunnen wortelen. Dit nu is echter niet meer nodig, omdat men in Nederland wenst te blijven. Daarom stelt C.R.M. dat subsidiestromen voortaan niet meer direct naar categorale groepen gaat, maar naar algemene Nederlandse instellingen die zich inzetten om van nieuwkomers ook Nederlanders te maken. Geen aparte instellingen meer voor buitenlanders. Dat is een totaal andere lijn dan waar het platform mee bezig is.

De Platform-organisaties reageren dan ook buitengewoon geschokt op deze landelijke koerswijziging en stellen in september 1979 een ronkende brief op, waaruit de visie blijkt dat de door CRM bepleite integratie direct tot uitbuiting van buitenlanders leidt. De platform-organisaties, waaronder het KMAN, zetten zich daar dan ook zeer nadrukkelijk tegen af, gezien onderstaande passages.

Het beleid van de Nederlandse overheid is gericht op integratie. Integratie moet ervoor zorgen dat de uitbuiting van de buitenlandse arbeiders optimaal is want dat is nodig voor de Nederlandse ekonomie. Integratie is gericht op eliminering van de demokratiese zelfzorg van de buitenlanders en op de verzwakking van hun positie. Ze worden ingepast in Nederlandse instellingen en geisoleerd van de Nederlandse bevolking. Faciliteiten om zijn eigen kultuur kollektief te beleven en te ontwikkelen wordt hem ontnomen. De vorming van een eigen identiteit als arbeider met een specifieke achtergrond wordt in de weg gestaan. Het integratiebeleid dient de individuele (om)vorming van mens tot een getolereerde, tweederangs inwoner van Nederland. Het Platform keert zich tegen het schijnheilige integratiebeleid van de Nederlandse overheid en van de SWBW en de Gemeente Amsterdam die dat beleid uitvoeren. Het Platform gaat uit van het recht op zelforganisatie van de buitenlandse arbeiders en eist medezeggenschap in alle maatregelen die de buitenlanders betreffen.

De Platform-organisaties geven in de brief verder aan direct garantiesubsidies te zullen gaan aanvragen bij het Novib, X-Y, de Raad van Kerken, kerkelijke organisaties, NCB, NOB, Europees Festival Fonds en andere partijen. De organisaties eisen onderwijs in eigen taal en cultuur. Bovendien moeten de razzia’s op buitenlanders gestopt worden. Dat de motieven van de Platformpartijen daarnaast ook een sterk maatschappijverbeterende insteek hebben in de progressieve zin van het woord, wordt hier niet met zoveel woorden gezegd, maar blijkt onder andere uit de notulen van een vergadering van de platformorganisaties van 25 augustus 1979, waaruit hieronder enige citaten.

De CEC merkt op dat we niet moeten wachten totdat de Nederlandse arbeidersklasse onze problemen op gaat lossen, wij zijn geen deel van de Nederlandse arbeidersklasse.

HTIB: ook al behoren we niet altijd konkreet tot de Ned. Arbeidersklasse, wij moeten die plaats toch zeker eisen.

De FILEF vraagt uitleg aan de CEC.

De CEC ment dat de buitenlandse arbeiders altijd meer zijn achtergesteld dan de Ned. Arbeiders.

FILEF: het gaat om het feit dat we allemaal het slachtoffer zijn van de kapitalistische maatschappij, daarom is het zo belangrijk een eenheid te vormen met de Nederlandse arbeiders en daarnaast te werken aan onze specifieke problemen.

KMAN: dit geldt zelfs wanneer de arbeidersklasse, zoals de Nederlandse, zich er niet van bewust is dat ze uitgebuit wordt en zelfs meewerkt aan onze uitbuiting. Op het nivo van de ervaring is er geen eenheid maar in de basis gaat het om een gemeenschappelijke strijd. Juist daarom is het van groot belang dat de Ned. Politieke partijen hun verantwoordelijkheid gaan dragen.

[…]

De Griekse Gemeenschap interrumpeert: eerst moet duidelijk zijn welke doelstelling we hebben. De Gemeente zal bijv. nooit ingaan op een doelstelling van syndikalistische aktiviteiten.

De Platform-deelnemers zijn er in augustus 1979 inmiddels toe overgegaan het gebouw van de SWBW te bezetten in het kader van de inwilliging van de hierboven genoemde eisen. Een en ander wordt inmiddels door het Amsterdamse gemeentebestuur niet onwelwillend ontvangen. Het SWBW bevindt zich al jaren in crisis, krijgt weinig voor elkaar en is zelf ook niet ongenegen zich maar op te heffen. En in het platform lijken alle grotere groepen wel vertegenwoordigd. Er bestaat natuurlijk wel een enkele moskee-organisatie die niet aan te treffen is, maar dat zijn Amicales en komen als dusdanig niet in aanmerking voor enige samenwerking met de overheid. Dus waarom niet met het platform in zee? Voordeel is dat het hier ook progressieve organisaties betreft, en de meerderheid in de Amsterdamse gemeenteraad is zelf ook progressief. Een mooie manier om de nieuwe bevolkingsgroepen op progressieve wijze in Nederland te integreren, uiteraard verder met behoud van met name voor achtergestelde groepen zo belangrijke eigen taal en cultuur.

Op de Amsterdamse raadsvergadering van Sociale Zaken van 22 oktober 1979 spreekt de PvdA. daarom nogmaals uit dat een alternatief voor de SWBW ontwikkeld moet worden in nauwe samenwerking met de buitenlandse organisaties. De CPN op haar beurt wijst erop dat er goed op toegezien moet worden dat twee moskee gelieerde organisaties van het samenwerkingsverband worden uitgesloten. De PSP verbaast zich tenslotte over de euvele moed van een FNV-bestuurder die onlangs de opvatting heeft uitgesproken dat het platform niet het alleenrecht zou kunnen claimen om voor de buitenlanders in Amsterdam te spreken. De PSP zou dit merkwaardig reactionaire standpunt graag op schrift zien.

Uiteindelijk sneuvelt het SWBW eind 1980 definitief, ook tot opluchting van sommige bestuurders zelf trouwens. De volgende stap van het Platform is nu in haar plaats te treden, maar dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Het is vanwege de nieuwe standpunten van C.R.M. ook voor de Gemeente Amsterdam nu eenmaal niet meer toegestaan om categorale organisaties direct te subsidiëren. Daarom wordt samen met de Gemeente Amsterdam een constructie bedacht waarbij het platform gaat samenwerken met de diverse lokale buurthuizen en niet-categorale organisaties. De felbegeerde subsidiegelden komen in deze constructie echter niet direct bij de platform-organisaties terecht, maar worden beheerd door de niet-categorale Nederlandse welzijnsorganisaties. Het zal een ongelukkige constructie blijken te zijn en de platformpartijen zullen in de jaren tachtig in hun streven het alleen-spreekrecht uit te oefenen voor hun achterban met name met elkaar strijdend ten onder gaan, met het welzijnswerk voorlopig als overlevende lachende derde.

Strijd tegen de fascisten

Het KMAN zoekt regelmatig de confrontatie met de Amicales en wordt daarbij ondersteund door Nederlandse progressieve groeperingen en partijen. Zo eist het KMAN ter gelegenheid van diverse demonstraties in het weekend van 15 op 16 oktober 1977 een totaal overheidsverbod op de Amicales. De verklaring wordt mede ondertekend door o.a. de PPR, de CPN, de SP en de PSP. In november 1977 weet het KMAN door uitoefening van grote druk – met name een grote demonstratie door Amsterdam met ondersteuning van onder andere CPN, FNV, PSP, ASVA en Christenen voor Socialisme te voorkomen dat hotel Krasnapolsky een zaal verhuurt aan de Amicales. In overleg met burgemeester Polak wordt de bedoelde bijeenkomst geannuleerd.

Ook in 1978, 1979 en 1980 komt het tot schermutselingen bij de bestrijding van de Amicales. Hierbij adverteert het KMAN onder andere als volgt in het Arabisch en Nederlands in de Tong Tong, het door het Wijkopbouworgaan uitgegeven krantje voor de Indische Buurt.

De “Amicales”, de lange arm van koning Hassan, heeft een bedrieglijk pamflet uitgedeeld waarin zij haar actieve rol in de criminele aanvallen op Paradiso op 8-3-’80 en op de Mozes en Aäronkerk op 9-3-’80 probeert te ontkennen. Deze fascistische aanvallen hebben overigens het racisme tegen de marokkaanse arbeiders vergroot. Wij geven toe dat zij deze aanvallen uiteraard niet uitgedacht hebben, maar ze hebben “slechts” orders van de Marokkaanse regering uitgevoerd. Wanneer men de verslagen in de Marokkaanse kranten over deze aanvallen goed leest merkt men dat dit alles inderdaad door Rabat is georganiseerd. Wij zullen aantonen dat de “Amicales” (die zich ook wel onder andere namen presenteren, zoals Stichting Moskee) deze orders heeft uitgevoerd. Probeert u zich het televisiejournaal en de krantefoto’s te herinneren. De meneer die de verkeersborden uit de grond trok is de voorzitter van deze fascistische organisatie Moumni Abdessalem. Misschien heeft u ook een Marokkaan met een fototoestel gezien, en met de woorden PERS op de borst, dit is nu de ex-voorzitter van de “Amicales”, bekend onder de naam Stitou. Bovendien verblijft er op het ogenblik nog een lid van deze organisatie, Younes, bij de politie, zijn handen stonken naar benzine, hij wilde Paradiso in brand zetten.

Ondanks al deze bewijzen probeert de “Amicales” in haar pamflet te doen geloven dat ze er niets mee te maken heeft, maar dat is nu eenmaal de werkwijze van een fascistische organisatie. Wij roepen het demokratische publiek op ieder soort fascisme, zowel Nederlands als buitenlands, te bestrijden. Leve de vrije meningsuiting in Nederland en in Marokko!

KMAN afdeling Oost

De spreekwoordelijke vlam slaat in Oost echter pas goed in de pan in 1981, wanneer op 9 mei de niet bij het KMAN aangesloten Vereniging van Democratische Marokkaanse Organisaties van de Amsterdamse wethouder Kuipers aan de Borneokade een gebouw aangeboden krijgt om te vergaderen. Buiten staan onder leiding van het KMAN honderden bewoners van de Indische Buurt te protesteren. Met naam genoemd worden in de verslagen in de Waarheid het Anti-Fascisme Comité Indische Buurt, het Platform van Democratische Organisaties van Buitenlandse Arbeiders, het Marokaanse W.A.O.-comité en Buurthuis Ons Huis. De organisaties betogen tegen de VDMO omdat dit in feite een mantelorganisatie van de Amicales zou zijn, een conservatieve mantelorganisatie van de Marokkaanse overheid.

Tijdens de feestelijke opening van het pand, enkele weken later, demonstreren de genoemde partijen opnieuw en trachten de ingang van het pand te blokkeren. Deze actie schiet echter behoorlijk in het verkeerde keelgat bij diverse samenwerkingspartners van het KMAN, waaronder de bij de opening aanwezige FNV, die prompt het samenwerkingsverband met het KMAN opzegt. Ook uit een open brief van PvdA, PSP, D66 en PPR van 4 juni 1981 blijkt dat het KMAN deze keer te ver is gegaan.

De Indische Buurt en het spook van fascisme en racisme

Er zijn in Amsterdam tekenen die wijzen in de richting van een toenemend racisme. […] Sinds enige tijd beschikken een aantal Marokkaanse organisaties in Amsterdam, dankzij subsidiering van de gemeente, over een pand aan de Borneokade. In deze vereniging hebben zich een aantal organisaties gebundeld, die al lange tijd de toezegging van de gemeente hadden dat er naar een ruimte voor hen zou worden gezocht. Het betreft hier onder meer de Bond van Marokkaanse Woningzoekenden, de Marokkaanse Vrouwenbond en een aantal Moskeestichtingen. Deze Moskeestichtingen werken samen met de Werkgroep Moskee, waarin onder andere de Raad van Kerken en de gemeente vertegenwoordigd zijn. De Werkgroep Moskee is uiteraard alert op mogelijke fascistische groeperingen en weigert contract met de door de Amicales beinvloede Moskees. De Werkgroep Moskee heeft om deze reden b.v. geen kontakt met de in de Marnixstraat gevestigde Stichting Moskee Souna.

De subsidie van de nieuwe Vereniging kreeg de instemming van alle gemeenteraadsfrakties en op vrijdag 8 mei werd de officiele opening gepland waarvoor wethouder Kuijpers van Sociale Zaken gevraagd werd. De wethouder werd echter door een aantal demonstranten het spreken onmogelijk gemaakt door middel van een nogal intimiderende aktie, waarbij men verder stinkbommen gooide en een autoband liet leeglopen. Door de demonstranten werd, onder meer namens het Anti-Fascisme Komite Indische Buurt, een stencil uitgedeeld waarin gesteld wordt dat de nieuwe Vereniging een mantelorganisatie is van de Amicales. Alvorens nader in te gaan op het karakter van de Amicales, is het goed een aantal onjuistheden recht te zetten over de organisaties die in de Vereniging zouden zitten. Ten onrechte wordt in het stencil de hierboven al vermelde Stichting Moskee Souna genoemd. Deze stichting zit niet in de nieuwe Vereniging, evenmin trouwens als de in het stencil genoemde initiatiefgroep van een aantal progressieve Marokkaanse kunstenaars voor een Marokkaans Kultureel Centrum. […]. Terecht heeft de gemeente Amsterdam altijd gesteld, onder andere in de in december 1980 aangenomen Interimnota Beleid Buitenlandse Werknemers, geen steun te zullen verlenen aan eng-nationalistische of fascistische organisaties, zoals de Amicales.

Waar werkelijke konkrete bewijzen ontbreken, resteren slechts loze beschuldigingen. Op deze wijze worden gelovige islamieten, zowel Marokkanen als Turken, in de verdachtenbank geplaats. [..] Tenslotte merken de politieke partijen, die deze brief ondertekenen, op dat hun stellingname tegen de aktie die werd gevoerd bij de opening van het gebouw aan de Borneokade t.b.v. de Vereniging van Demokratische Marokkaanse Organisaties in Amsterdam, niet inhoudt dat deze politieke partijen zich inhoudelijk vereenzelvigd hebben met deze vereniging.

Het KMAN is het hier niet mee eens. Uit een enige weken later uitgegeven kommunikee blijkt dat de organisatie onverminderd op de juistheid van haar standpunten blijft staan.

Kommunikee KMAN d.d. 10 juli 1981

Bij deze willen wij, KMAN, een eerste openbare reaktie geven op het besluit van de FNV dat wij via de pers vernamen, om de steun aan onze organisatie op te zeggen.

Allereerst willen wij reageren op de aanleiding tot deze koerswijziging: Het KMAN heeft samen met andere organisaties bij de opening van de zogenaamde V.D.M.O. aan de Borneokade (d.d. 8-5-81) en bij een “feest”  in dit gebouw (d.d. 27-5-81) aan een protestwacht deelgenomen. Dit omdat, en wij herhalen dit met klem de Amicales in het lokaal van de Borneokade en binnen het V.D.M.O. met behulp van overheidsgelden, vrij spel hebben (bijgaand enige documenten die tot doel hebben deze stelling toe te lichten).

Tijdens de Amicales verkiezingsbijeenkomst d.d. 7-6-’81 is opnieuw gebleken dat dit standpunt van onze organisatie dat gebaseerd is op een grondig inzicht in de situatie van de Marokkaanse gemeenschap en de werkwijze van het Marokkaanse regime in Nederland, juist is; foto’s van dit gebeuren waarbij eveneens protestwacht werd gehouden tonen aan dat enkele personen die een belangrijke rol spelen binnen het V.D.M.O op de Borneokade, tot de harde kern van de Amsterdamse Amicales behoren. Een van hen figureert zelfs op een van de kandidatenlijsten voor deze schijn-verkiezingen die overigens tot opluchting van de Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam niet hebben plaatsgevonden.

De FNV was niet aanwezig bij de opening van het gebouw aan de Borneokade t.b.v. de V.D.M.O. Wel was dit het geval, in de persoon van Dhr. Calle, bij het betreffende “feest” d.d. 27-6-’81. Opmerkelijk m.b.t. deze bijeenkomst is de verschillende presentatie van het gebeuren naar Marokkaanse kant enerzijds en Nederlandse kant anderzijds. Opmerkelijk ook de totale afwezigheid van Marokkaanse arbeiders op deze bijeenkomst (aanwijzing voor het feitelijk isolement van de VDMO binnen de Marokkaanse gemeenschap).

Niet het KMAN heeft Dhr. Calle “de mond gesnoerd” maar dit totale gebrek aan opkomst waardoor de bijeenkomst moest worden afgelast. Daarentegen heeft het KMAN de dag daarop voorbijgaand aan de opmerkingen van Dhr Calle het optreden van het KMAN tgv. het VDMO “duur betaald zou worden” aan dhr Calle als vertegenwoordiger van het FNV het woord gegeven tijdens een protestbijeenkomst, waar meer dan 900 Marokkaanse arbeiders aanwezig waren; deze bijeenkomst was gericht tegen de recente bloedige onderdrukking door het Marokkaanse regime t.o.v. de eigen bevolking. […] Wat te denken van de bommeldingen en het dreig-telefoontje waarmee Krasnapolsky in het weekend voorafgaand aan de protestbijeenkomst 28 juni werd opgeschrikt. […] en van een poging van een VDMO-er om tijdens deze demonstratie de deur van het KMAN te forceren.

De onderlinge schermutselingen tussen KMAN en vermeende Amicales-aanhang zullen nog enige tijd doorgaan, maar zover bekend niet in de Indische Buurt, waar de Nasr Moskee onder voorzitterschap van Hadj Khamar een van de Nederlandse samenleving geïsoleerd bestaan leidt en de progressieve buurtorganisaties en het KMAN vooralsnog weinig vat lijken te krijgen op de groep Marokkaanse migranten.

Elkaar leren kennen

In de Indische Buurt is de onderwijssituatie inmiddels volledig uit de hand aan het lopen vanwege de enorme toevloed van buitenlandse kinderen. Al in 1979 wordt dringend ondersteuning gevraagd aan het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. In juni 1980 brengt de Onderwijs Werkgroep Indische Buurt een Zwartboek uit. De werkgroep wijst hierin ondere andere op de noodzaak van de beschikbaarstelling van tolken voor ouderbezoek. Ook zou voor klassen met meer dan 25% buitenlandse leerlingen per omgaande een maximum aan de klassegrootte gesteld moeten worden van 24 voor de kleuterschool en klas 1 en 2 en 30 voor de klassen 3-6. Op veel scholen bestaat een onoplosbaar ruimtegebrek.

Janneke, leerkracht op de 3e Elthetoschool, vertelt hoe het is om in een klas les te geven met veel buitenlandse kinderen: “Ik heb op het moment 24 kinderen in de klas. Gedurende het schooljaar zullen er nog wel zo’n 5 of 6 kinderen bijkomen. Meestal kinderen die net uit Turkije of Marokko gekomen zijn. Van de kinderen komen er 3 uit Nederland, de rest komt uit het buitenland. Van die buitenlandse kinderen kennen er 13 niet genoeg nederlands om mee te kunnen doen. Als ik iets uitleg, kunnen ze dat niet volgen. Ze krijgen wel extra hulp, maar dat is veel te weinig. De rest van de week zitten ze er maar een beetje bij. Er is onvoldoende materiaal om deze kinderen aan het werk te zetten, als ik de kinderen die me wel verstaan iets uitleg. Het is eigenlijk vrij hopeloos. De kansen die deze kinderen krijgen zijn miniem. De andere kinderen krijgen door dit alles ook te weinig aandacht.

Alhoewel het zwartboek een duidelijk verhaal vertelt, worden er opvolgend vooralsnog nauwelijks toezeggingen door de overheid gedaan. Een van de grootste problemen voor de scholen is dat er nauwelijks tot geen prognoses voor de bevolkingsontwikkeling van de Indische Buurt bekend zijn. Inmiddels is het wel duidelijk geworden dat lang niet alle buitenlandse meisjes in de Indische Buurt rond 1980 naar school gaan. In de Tong Tong van april 1980 wordt daar een vrij uitgebreide verklaring voor gegeven. Veel buitenlandse vrouwen werken namelijk buitenshuis om hun gezin en familie in het buitenland te onderhouden. Zij zijn dan niet in de gelegenheid op hun kinderen te passen. Deze taak wordt dan door de oudere meisjes op zich genomen,

Concrete ondersteuning aan buitenlanders in ouderwetse zin wordt in de Indische Buurt in de jaren tachtig gegeven in de Meevaart. Het betreft naailes voor de vrouwen. Voor mannen is er weinig geregeld. Die laten zich ook weinig zien bij welzijnsactiviteiten. De Marokkaanse mannen ontmoeten elkaar in theehuizen of in de Nasr Moskee, een overigens door KMAN, Anti-fascisme Komitee Indische Buurt en Buurthuis Ons Huis als fascistische bestempelde organisatie, die door de progressieve partijen op geen enkele manier als serieuze gesprekspartner wordt gezien.

Wel bestaat er in de buurt inmiddels een Werkgroep Buitenlanders, die in de Buurtwinkel bijeenkomt en ook zitting heeft in de Wijkraad van de Indische Buurt. Hierin zitten vertegenwoordigers van het KMAN en de Turkse HTIB, terwijl contact bestaat met een Portugese progressieve organisatie. Er wordt ook hier sterk gewaakt dat alleen progressieve organisaties – genaamd ‘demokratische buitenlandse organisaties’, alhoewel geen van de organisaties een werkelijk democratisch karakter heeft – in de werkgroep plaatsnemen, en ‘eng-nationalistische en fascistische organisaties’ uitgesloten blijven. Het programma van de Werkgroep Buitenlanders blijft bij gebrek aan achterban in principe vrij theoretisch, maar komt neer op het ondersteunen van de buitenlandse arbeider in de buurt, het geven van informatie over de thuislanden en het kweken van begrip tussen groepen in de buurt. Meer concreet is de werkgroep van plan een bibliotheek voor buitenlanders te vestigen in de buurt en is ze op zoek naar een eigen ruimte. De werkgroep neemt ook deel aan buurtfeesten door het organiseren van een etnische inbreng en wordt taalonderwijs gegeven: Nederlands, Turks en Arabisch.

Er begint nu ook een geboortegolf vanuit de migrantengezinnen op gang te komen. In december 1981 lijkt voorzichtig gesproken ongeveer de helft van de nieuw geborenen – afgaande op de in de Tong Tong gepubliceerde namen – van niet-Nederlandse herkomst. Een jaar later is dat duidelijk meer dan de helft. De Tong Tong begint in deze periode ook de belangrijkste berichten in meerdere talen te publiceren: minimaal Nederlands, Arabisch en Turks.

De activiteiten van de Werkgroep Buitenlanders – een samenwerkingsverband van KMAN en HTIB – willen in de eerste helft van de jaren tachtig in de Indische Buurt niet goed van de grond komen. De Werkgroep, die binnen de kaders van de door de Gemeente vastgestelde Rode Nota functioneert, wijdt er op 23 september 1982 een vergadering aan, waarin Tunny Jongejan namens het KMAN Indische Buurt een somber beeld schetst.

Oost: Door Tunny wordt de situatie geschetst zoals die zich op het ogenblik in Oost voordoet. Achterdocht vanuit buurthuis t.a.v. het werk; afhaken van HTIB en stroef verlopend kontakt met mensen buiten de regio, dit is een kleine greep uit de problemen die in Oost gevoeld worden. N.a.v. de opmerking die door meerdere aanwezigen gedeeld wordt, dat een aantal belanghebbenden niet bij het Rode Nota-gebeuren betrokken zijn, wordt door Platform de suggestie gedaan:

  • Een informatie-avond voor het buurtkader te organiseren, zodat op algemeen nivo informatie-overdracht kan plaats vinden.
  • Na de herfstvakantie zal door Samenwerkingsverband avond georganiseerd worden.
  • Mustapha is al druk bezig vanuit KMAN mensen te informeren. Een 2e man, Khaya, zal spoedig zich met voorlichten van mensen bezig kunnen gaan houden.
  • Kontakt voor Oost HTIB – Yassar en Steunkomite – Saida
  • Bij HTKB wordt een vrouw (naam niet bekend) ingewerkt.

Het wantrouwen tussen de platform-partijen en de buurthuizen doet zich ook elders in de stad voor, zodat het werk niet goed van de grond komt. Op 20 oktober vindt er weer een vergadering plaats van de steungroep. De diverse deelnemers vertellen wat ze doen. Zo werkt Hamid Houda voor de Stichting Sociaal Juridische Hulpverlening en houdt zich een paar uur in de week met ondersteuning van met name Marokkanen bezig in het Bavohuis. Dan is er Mireille Cohendy, die met een paar andere vrijgestelde leerkrachten in de buurtprojectgroep zit die buitenlandse kinderen op school begeleidt. Marlies Slot houdt als stagiaire bij het KMAN eenmaal per week spreekuur in de Buurtwinkel en Gozja van het KMAN Oost werkt in de bibliotheek in de Molukkenstraat. Enige mensen uit de gezondheidszorg zijn afwezig. Ook is opbouwwerker Arnold aanwezig, die vooral het huisvestingsvraagstuk wil aanpakken. Het is al met al geen indrukwekkende hoeveelheid werkzaamheden die verricht lijken te worden in de Indische Buurt.

Het buurtblad Tong Tong is inmiddels wel overgegaan tot het geven van meer belangrijke informatie in meerdere talen: het Nederlands, Arabisch en Turks. In november 1982 wordt in het blad een gedicht gepubliceerd van een anonieme Marokkaanse buurman, dat geen vrolijke indruk maakt en als volgt luidt:

AAN MIJN MOEDERLAND

 

Oh, Moederland ik heb jou gemist

Eens op een dag zal ik bij jou terugkomen.

Dagen, maanden, jaren blijf ik hier

Nog langer, maar jij blijft in mijn hart

 

Naar hier ben ik gevlucht

Ik droomde een mooi leven te krijgen

Jammer, mijn droom is niet uitgekomen

Maar ik heb wel veel geleerd

 

Gelukkig ben ik niet

Onrust en angst zijn hier mijn lot

Moederland, hoe is het met mijn moeder

Met alle familieleden, met mijn vrienden?

 

Aan hen, aan jou blijf ik altijd denken

Ik weet, dat jullie op mij wachten

Ik weet, dat moeder huilt om mij

Ik weet, dat moeder bidt voor mij

 

Zij wil, dat ik bij jou, bij haar terug zal komen

Ja, eens op een dag zal ik dat doen

Moederland, rijkdom heb ik hier niet gevonden

Mijn gevoel voor jou is wel rijker geworden.

Komt dat door het scheiden?

 

Moederland, blijven jouw mensen steeds armoede krijgen?

Moeten jouw boeren steeds tegen de natuur blijven strijden?

Moeten jouw vogeltjes stees bang zijn om een vrijheidsliedje te zingen?

Moet jouw pers blijven zwijgen en de waarheid bewaren?

Moeten jouw wolven de arme schapen oppakken?

De kleine oogjes van jouw kinderen steeds naar de hemel kijken?

 

Zij wachten op een feest

Een lange feestdag zonder eind

Zij dromen van die dag

Moederland, hoelang blijven ze wachten?

Er is nog hoop voor hen, voor mij

Er is hoop iedere ochtend wanneer de zon schijnt

 

Vergeef mij Moederland, wanneer ik lang van jou weg ben

Maar toch, blijf ik van jou houden

Eens op een dag zal ik bij jou terugkomen

Autochtone bewoners en migranten beginnen elkaar een klein beetje te kennen. Het is daarbij niet zo dat er geen irritaties bestaan bij de Nederlanders. Die zijn er wel, tot zorg van de Buurtwinkel, die vreest voor fascisme en een vergadering georganiseerd heeft waarop wel 50 man aanwezig is.

Op de eerste bijeenkomst van deze groep hebben we alle vooroordelen en opmerkingen op een rijtje gezet. Deze liepen uiteen van keiharde vorooordelen t.o.v. buitenlanders, b.v. ze krijgen meteen een woning en werk. Ook speelden veel kleine irritaties een grote rol. Deze irritaties zijn volgens ons meer het gevolg van boven op elkaar wonen dan van verschillende kulturele achtergronden. Toen bleek dat wij volgens een behoorlijk aantal ‘ongeschreven wetten’ leven zoals: Stoep vegen, loper op de trap, niet in fruit knijpen enz. […] Veel mensen zijn weinig of niet geinteresseerd in de achtergronden van anderen (buitenlanders, jongeren, bejaarden, krakers). Uit gemakzucht wordt alles afgedaan als vreemd en slecht. Natuurlijk zijn er problemen zat met woonruimte, woonlasten, werk/geen werk enz., maar dat mag nooit een excuus zijn om andere mensen de goot in te trappen. Gelukkig willen heel veel mensen gewoon leven in een gezellige buurt. Maar ook zij merken dat het o.a. door gebrek aan wederzijdse kennis van elkaar, moeilijk is om kontakt te leggen, waardoor je je snel geisoleerd kan gaan voelen.

Besloten wordt de vergaderingenreeks voorlopig maar voort te zetten.

Ondergang van het Platform

De Amsterdamse samenwerking van de in het platform verenigde progressieve buitenlandse organisaties met de buurthuizen komt intussen slecht van de grond. Daarom wordt in 1983 naar een nieuw samenwerkingsverband gezocht, dit keer met de Federatie Buurt- en Jongerencentra Amsterdam (FBJA). Op 14 februari 1983 wordt door partijen voor Amsterdam Oost in principe het volgende programma afgesproken, waarbij sprake is van nationaliteitswerkers die door de zelforganisaties worden aangewezen en waarbij gebrek aan opleiding voor gewenste medewerkers geen probleem hoeft te zijn:

  • Er is een afsprakenlijstje gemaakt over zaken die bij de realisering van het projekt geregeld moeten worden:
    • aan de betreffende zelforganisatie wordt gevraagd per werkplek een profielschets voor de betreffende nationaliteitswerk(st)er te maken, die dan besproken wordt met de andere participanten
    • afspraken over het aandeel van de buurthuizen t.a.v. de inwerkperiode van de nationaliteitswerk(st)ers.
    • De nationaliteitswerk(st)ers kunnen pas in mei in het zusterhuis terecht. Tot zolang stelt de Meevaart ruimte ter beschikking.
    • Afspraken over het aandeel van de zelforganisaties t.a.v. de inwerkperiode van de nationaliteitswerk(st)ers.
    • Gedacht wordt aan een sollicitatiekommissie van minimaal 5-6 mensen. Per aan te stellen nationaliteitswerk(st)er kan de samenstelling ervan wisselen. Aan de SJA zal gevraagd worden assistentie te verlenen bij de sollicitatieprocedure. De diskussie over de sollicitatieprocedure is nog niet afgerond.
    • Het beleidsplan is al voorgelegd aan het bestuur van de SJA, met het verzoek om de verdere procedures samen met de beleidsgroep uit te werken.
    • Een probleem is wat je moet doen met mensen, die wel de nodige ervaring maar niet het vereiste opleidingsniveau hebben. Er zijn dan waarschijnlijk twee mogelijkheden:
      • Een beroep doen op de ontsnappingsclausule commissie van het LOAC/OAW met het verzoek de desbetreffende persoon te mogen aanstellen voor een CIIB-funktie […etc…]

 

Er komt nu een langdurig onderhandelingsproces met de Gemeente op gang, waarbij het de vraag is in hoeverre de wensen van de partners en met name die van de Platformpartners door de Gemeente gehonoreerd kunnen worden in het kader van de Rode Nota. Bij een besturenoverleg tussen FBJA en Platform op 6 juli 1984 licht Abdou Menebhi, die inmiddels sinds 1979 bij de Stichting IKVOS (Interkerkelijk Vormingswerk) als veldwerker in dienst is getreden en op die manier een vast eigen inkomen heeft, de belangrijkste wensen nog eens toe. Het gaat in de eerste plaats vooral om de versterking van de zelforganisaties, die vervolgens intensief zullen investeren in het proactief opzoeken migranten in de buurt om deze kennis te laten maken met hun zelforganisaties. Dat is niet onlogisch, want met name KMAN en HTIB hebben nog steeds een schreeuwend gebrek aan achterban. Vervolgens dient dan een scholingsprogramma voor de medewerkers van de zelforganisaties te worden opgezet, die aansluitend kunnen overgaan tot kadervorming onder Turken en Marokkanen in de buurt. Tevens kan een verdiepingsprogramma voor de eigen cultuur plaatsvinden. Tenslotte kan er voorlichting gegeven worden aan Nederlanders wat betreft de eigen cultuur van Turken en Marokkanen.

Het voorgestelde programma van Menebhi is sterk gericht op versterking van de eigen organisatie, en legt de nadruk op het behoud van eigen cultuur van de – in zijn geval Marokkaanse – achterban. Dat is niet zonder meer de boodschap waar de Amsterdamse overheid in deze tijd op zit te wachten, realiseren zich ook de Platformpartners zich. Wanneer Menebhi in een volgende vergadering als aanvullende eis voorstelt dat in de sollicitatiecommissie van het samenwerkingsverband alleen leden van de platformorganisaties zitting mogen nemen, wordt dat door de vergadering niet overgenomen.

Het platform begint de koers wat kwijt te raken nu de brede progressieve Nederlandse beweging vanwege de doorgaande economische crisis aan het versmallen is en het belang van het behoud van eigen taal en cultuur van migranten vanwege de blijvende aanwezigheid in Nederland steeds meer een discussiepunt aan het worden is. Menebhi spreek op een bijeenkomst dat jaar daarom nadrukkelijk over de noodzaak tot nieuwe coalities over te gaan, zoals met de homo-vrouwen en de kraakgroepen. Eigen cultuur blijft belangrijk, aldus de voorzitter van het KMAN, maar uit pragmatische overwegingen moeten we nog meer de samenwerking zoeken met Nederlandse progressieve groepen.

Het gaat zoals inmiddels niet zo goed meer met de ondersteuning door de progressieve partijen voor het volledig KMAN-programma. De PvdA publiceert tevens in 1983 de nota Redelijk Willen. Hierin wordt kraakhelder aangegeven dat er in Amsterdam geen plaats meer is voor professioneel toegeruste categorale koepelorganisaties. Dat is in principe een dodelijke aanslag op de inzet van het KMAN om als categorale koepelorganisatie de vertegenwoordiging van de Marokkanen in Nederland exclusief tot zich te kunnen trekken. Wel spreekt de nota nadrukkelijk uit dat buitenlanders expliciet recht hebben op eigen cultuurbeleving, en dat de overheid dat ook ruimhartig moet faciliteren. Het moge duidelijk zijn dat de wind in Amsterdam inmiddels is begonnen te draaien. Hieronder enige citaten uit het belangwekkende stuk.

Toelichting: Tot de vrijheden van ons land behoort ook het recht op eigen godsdienst in enge en kultuur in brede zin. Door de veelheid van buitenlandse nationaliteiten en groepen kan er niet gesproken worden van één ‘buitenlandse’ kultuur. Integendeel. Er is sprake van een grote pluriformiteit. Bovendien is kultuur geen staties gegeven. De tweede- en volgende generaties ‘buitenlanders’ zullen weer andere kultuuruitingen hebben dan hun ouders. De mogelijkheid om bezig te zijn met en zich te organiseren rond eigen kultuur, is voor veel ‘buitenlanders’ een mogelijkheid om zich hier thuis te kunnen voelen. Het gaat daarbij zowel om godsdienst als om ontplooiing, emancipatie en belangenbehartiging.

Het tot stand brengen van ruimtes voor godsdienstoefeningen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de betreffende groep. Gegeven de achterstandssituatie waarin veel ‘buitenlandse’ groepen verkeren, kan aktieve medewerking van de overheid echter geboden zijn. Subsidiering van verschillende groepen en door hen te organiseren aktiviteiten dient aan duidelijke regels gebonden te zijn:

  • voor alle groepen gelijke mogelijkheden
  • geen inhoudelijke toetsing van doelstellingen, anders dan aan de Nederlandse wetgeving;
  • alleen honorering van konkrete projeckten waarvoor een onderbouwd verzoek is ingediend;
  • een redelijk draagvlak aanwezig is.

Wij realiseren ons, dat er een aanzienlijke spanning bestaat tussen gewichtige onderdelen van de kulturen van bijvoorbeeld groepen moslims en onze opvattingen over staat en gezin. Ten aanzien van die punten vertrouwen we op de macht van het vrije woord én zullen onze kritiek ook uiten – zo goed als we dat naar b.v. rechtse christelijke groepen doen. Toetsing van extreme opvattingen en vooral de daarbij behorende praktijken is aan de rechter. De grens van de vrijheid tot eigen kultuurbeleving ligt bij het belemmeren van dezelfde vrijheid van anderen.

[…]

Vooral in progressieve kring worden uitingen van ongenoegen snel als racisme bestempeld, waarna verder gesprek onmogelijk is. Hierdoor ontstaat de gevaarlijke situatie dat mensen kunnen denken niet meer bij bijvoorbeeld de PvdA te horen. Ten eerste vormt het geventileerde ongenoegen een aanknopingspunt om te praten over de ‘echte’ achterliggende oorzaken. Inzicht in die oorzaken is voorwaarde om het geloof in de politiek en met name de progressieve politiek te behouden of te herstellen. In die zin maken we een strikt onderscheid tussen de ideologische leiding van groepen als de Centrum Partij en haar potentiële aanhang. Ten tweede is het samenleven – m.n. in slechte woonomstandigheden – tussen groepen met heel uiteenlopende gewoontes niet altijd even gemakkelijk. Dat geldt trouwens evenzeer voor groepen Nederlanders onderling. Vooral in de oude wijken is de aanleiding tot spanningen aanwezig. Een kumulatie (optelsom) van problemen en probleemgroepen is hier waarneembaar. Wanneer verschillende groepen zich tegen elkaar gaan afzetten, blijft gezamenlijke inzet voor verbetering van deze wijken achterwege. Juist in zo’n gezamenlijke inzet ligt de taak van progressieve politiek. Overigens wanneer mensen elkaar daadwerkelijk overlast aandoen moeten er maatregelen genomen worden, ongeacht de afkomst van betrokkenen. Niet onderschat moet het ‘onbekend maakt onbemind’ effekt worden. Overlast van een bevriende buur is minder erg dan van een buur wiens taal men niet eens spreekt. In die zin zijn gezamenlijke aktiviteiten en ontmoetingen van Nederlanders en ‘buitenlanders’ in buurten, bedrijven en scholen van groot belang. Ook voorlichting aan ‘buitenlanders’ over sociale gedragingen hier (trap schoonmaken, vuilnis buitenzetten etc.) én aan Nederlanders over opvattingen van ‘buitenlanders’ kan een belangrijke bijdrage vormen tot wederzijds begrip.

[…]

  1. De beschuldiging ‘fascist’ is een van de zwaarste beschuldigingen en dient derhalve met de grootste zorgvuldigheid te worden geuit.

Toelichting: Het gemak waarmee het woord fascist valt is schrikbarend. Fascisme heeft vanuit de recente geschiedenis duidelijke kenmerken (zie ‘Over Oud & Nieuw Fascisme’). Eerst wanneer een groep of persoon denkbeelden verspreidt en aktiviteiten onderneemt die aan deze kenmerken beantwoorden, mag het woord fascist vallen. Wij ageren ook tegen het gebruik van het stempel fascisties dat door sommige linkse groepen op rechtse en gematigde buitenlandse groepen wordt gedrukt. De Turkse Grijze Wolven zijn bijvoorbeeld wel duidelijk verbonden met een fascistiese partij (de M.H.P.). Bij de meeste rechtse en/of nationalistiese groepen is de grens veel moeilijker te vinden. Uitingen en aktiviteiten zullen dan ook zorgvuldig op hun inhoud moeten worden beoordeeld. In een demokratie mag men tenslotte ook voor behoudende denkbeelden ijveren.

De Amsterdamse stedelijke overheid begint mede vanwege bovenstaande PvdA-inzichten meer en meer een beleid te ontwikkelen dat afwijkt van de visie van het KMAN. In dat beleid is geen ruimte meer voor een alleenvertegenwoordige categorale organisatie voor Marokkaanse migranten. Zo wordt in 1985 door de Gemeente over de nieuwe Adviesraden Minderheden een separaat overleg gevoerd met een vertegenwoordiger van 10 Amsterdamse moskee organisaties. Het is duidelijk dat de overheid de moskeeorganisaties, die een veel grotere achterban hebben dan bijvoorbeeld het KMAN, nadrukkelijk als partner opzoekt en niet meer wil laten gaan.

Intussen ontstaat er in maart 1987 weer een opstootje rond de Amicales, die weer eens een poging doen om verkiezingen te houden. Nadat die verkiezingen in eerste instantie op aandringen van burgemeester van Tijn worden uitgesteld, wordt door de Gemeente een nader onderzoek gedaan naar de vraag of deze verkiezingen in Nederland überhaupt verboden zouden kunnen worden. Dat blijkt uitdrukkelijk niet het geval te zijn, aldus het onderzoeksverslag. Er zijn in het samen met de politie uitgevoerde onderzoek in feite geen strafbare feite van de Amicales gesignaleerd. Enige conclusies uit het onderzoek:

  • Amicales correspondeert met de Marokkaanse autoriteiten in Nederland en Marokko;
  • De Amicales, het Marokkaanse consulaat, en de Marokkaanse Ambassade rapporteren naar elkaar en naar de overheid in Marokko over o.a. demonstraties tegen de Marokkaanse overheid met vermelding van Marokkaanse deelnemers
  • Er zijn geen gegevens over strafbare activiteiten van Amicales (uitgezonderd de “inval” in Huize Pax – zie onder punt IVb). Ook uit het antwoord van de Minister van Justitie op ter zake gestelde Kamervragen is dit op te maken. Bij de Amsterdamse politie zijn nooit aangiftes gedaan over intimidatie en/of chantage praktijken van Amicales. Ook uit het “Amicales-dossier” is volgens de politie niet objectief af te leiden dat Amicales zich bezighoudt met het intimideren en bedreigen van de Marokkaanse bevolking in Nederland.
  • Er zijn geen gegevens waaruit zou kunnen blijken dat de arrestatie (en soms marteling) van “progressieve” Marokkanen tijdens hun vakantie in Marokko het werk is van Amicales (ook het NCB geeft dit toe).
  • Er zijn volgens ambtenaren van BuZa geen gegevens over het optreden van de Marokkaanse geheime dienst (al dan niet onder de “dekkmantel” van de Amicales in Nederland. BuZa beschikt wel over informatie (echter niet over het bewijs) dat de Marokkaanse overheid in Nederland gebruik maakt van betaalde informanten. Het is niet duidelijk of deze informanten bij de Amicales moeten worden gezocht.
  • De Nederlandse Amicales hebben (vrijwel) nooit optimaal gefunctioneerd (was dat ook moge zijn). De oppositie van sommige politieke partijen, Marokkaanse organisaties en “anarchistische” Nederlandse jongeren is hiervoor verantwoordelijk.
  • Het disfunctioneren van de Amicales is echter ook te wijten aan het intellectueel en organisatorisch onvermogen van de meerderheid van de leden van de Amicales. Verder hebben een gebrek aan materiële middelen en de aanwezigheid van “bedriegers” tot het falen van Amicales geleid.
  • Niet is komen vast te staan dat de Amicales fascistisch zijn (tenzij men er vanuit gaat dat de Marokkaanse overheid fascistisch is – vgl. rapport van de politie over “Amicales” dossie).

 

Uit het bovenstaande blijkt dat de meeste beschuldigingen jegens Amicales niet door de feiten worden gestaafd. Het enige min of meer vaststaand gegeven is dat de Amicales en de Marokkaanse autoriteiten met elkaar corresponderen. De in het “Amicales-dossier” besloten correspondentie van Amicales, het Consulaat en de Ambassade (periode 1975 – 24 januari 1984) dekt echter volgens de politie “in geen geval” de beschuldigingen die door de tegenstanders aan het adres van de Amicales zijn geuit.

De toenadering tot de moskees en het onderzoeksrapport naar de Amicales geven aan dat het Amsterdamse beleid richting de Nederlandse Marokkanen in een paar jaar tijd zeer sterk veranderd is.

Problemen

In de Indische Buurt is inmiddels een zeer grote stille instroom op gang gekomen van met name Turkse en Marokkaanse nieuwkomers, die vanaf 1980 haar hoogtepunt bereikt vanwege een nieuwe regularisatie van illegalen en een doorzettende groei van het aantal gezinsherenigingen. Rond 1985 heeft een kleine 40% van de bevolking een migratieachtergrond. In dat jaar zijn op de katholieke kleuterschool nog maar 4 van de 80 kinderen van autochtone afkomst.

Met name voor het basisonderwijs in de buurt levert de snelle wijziging in bevolkingssamenstelling van de buurt min of meer een constante crisissituatie op, vanwege de combinatie van enerzijds de instroom in het kader van gezinshereniging van kinderen van allerlei leeftijden en standen van ontwikkeling die de taal niet spreken, en anderzijds ouders uit een scala aan tot dan onbekende culturen die over het algemeen het Nederlands niet voldoende beheersen om over onderwijszaken te overleggen, en waarbij de thuissituatie vaak sterk afsteekt bij de gemiddelde Nederlandse thuissituatie waaraan het onderwijs tot dan toe gewend is geweest. Resultaat is dat een groot aantal kinderen die eerste jaren min of meer voor spek en bonen bij de lessen zitten en de school met veel te weinig vaardigheden verlaten om zich in de Nederlandse samenleving te handhaven.

Tragisch genoeg is niet alleen sinds 1973 de Nederlandse economisch in verval geraakt, maar is met name het ongeschoold werk dat de meeste arbeidsmigranten invulden, rond 1980 praktisch verdwenen. En daarbij komt de tendens dat ook voor laagbetaalde betrekkingen van eenvoudige aard steeds vaker een regulier Nederlands diploma nodig is. Dit heeft als gevolg dat de werkloosheidscijfers onder de migranten in de jaren tachtig dramatische vormen beginnen aan te nemen. Bij oudere migranten van Marokkaanse afkomst kunnen die cijfers tot ruim boven de 50% oplopen. Aangezien bij gezinshereniging geen stringente eisen aan het leren van de Nederlandse taal gesteld worden en bovendien impliciet bij veel activiteiten die voor buitenlanders ontplooid worden de gedachte nog steeds is dat men op termijn terug zal gaan, is er wegens gebrek aan een gemeenschappelijke taal weinig structureel tussen de Nederlandse en bijvoorbeeld de Marokkaanse groep mogelijk.

De Nasr Moskee is inmiddels sterk gegroeid in bezoekersaantallen en is na de sluiting van de Hersteld Lutherse Rogatekapel in de Toministraat – die op dat moment al geruime tijd als christelijk buurthuis in gebruik is-  in 1982, in staat dit pand met eigen middelen over te nemen en in te richten. De moskee is een belangrijke plaats voor de Marokkaanse buurtbewoners en met name voor de mannen, aangezien vrouwen niet verondersteld worden (regelmatig) de moskee te bezoeken. Het wordt druk in de Toministraat, omdat de conservatief traditioneel ingestelde moskee, waarvan het bestuur een Amazigh-achtergrond heeft – de voertaal is verder Arabisch – ook bezoekers van elders in de stad aantrekt.

Alhoewel de kraakbeweging begin jaren tachtig in de Indische Buurt wegens sloop en renovatie haar slagkracht grotendeels verliest, en de aan haar gelieerde Buurtwinkel in 1982 fuseert met het wijkopbouwwerk tot Wijkopbouworgaan, blijft de linkse beweging in de buurt sterk. De Indische Buurt heeft ook een eigen Anti Fascisme Komitee en ook een Advocatenkollektief, die nieuwkomers met van alles en nog wat ondersteunen. Veel progressieve organisaties zitten voortaan in de welzijnsgebouwen Obiplein 4 (het voormalig zusterhuis van de Gerardus Majellakerk) en de Archipel aan de Minahassastraat. Op het Timorplein bevindt zich een blok in handen van de trotskistische beweging. De kerken zijn minder sterk aanwezig in de ondersteuning van buitenlanders in de buurt. Zij hebben in de jaren tachtig te maken met de gevolgen van de verhuizing van een groot deel van de oorspronkelijke Indische Buurt naar Almere, Purmerend, Weesp, Diemen en de westelijke tuinsteden.

De oorspronkelijke autochtonen die in de wijk achterblijven, zijn over het algemeen niet blij met de instroom van de migranten. Zij zijn echter in een minderheid. Met het kraakwezen in de jaren zeventig zijn grote groepen studenten en kunstenaars de wijk ingekomen, die in tegenstelling tot de resten van de oude middenstand enthousiast zijn over de veranderende samenleving en een nieuwe progressieve cultuur trachten op te bouwen. Hierbij is verzet tegen wat men fascisme noemt een belangrijk uitgangspunt. Het roemrucht revolutionair verleden van de buurt en het verzet tegen de NSB in de jaren dertig wordt daarbij met name door de CPN regelmatig als lichtend voorbeeld voorgesteld.

De problemen in de buurt beginnen zich op te hopen. Niet alleen is er vanwege het relatief hoog aantal drugs- en met name heroïneverslaafden in de buurt sprake van veel kleine en grotere (moord) criminaliteit, maar ook is er inmiddels een schreeuwend gebrek aan opvangsmogelijkheden voor jongeren. Zoals eerder gezegd is de bevolkingssamenstelling van de buurt in een korte tijd sterk veranderd en leidt met name de gewenste etnische afkadering – in verband met het vooralsnog op buurtpolitiekniveau nog steeds gepropageerde ‘behoud van eigen identiteit’ – tot een uitzichtloze situatie. Iedere groep zijn eigen buurthuis: dat is met meer dan 100 etnische achtergronden natuurlijk niet mogelijk. Jongeren hangen veel rond op straat.

Alhoewel het CRM al voor 1980 nadrukkelijk afscheid heeft genomen van de categorale gedachte, is men het daar in Amsterdam met name op wijkniveau vooralsnog niet mee eens. Onderwijs in eigen taal en cultuur wordt door veel organisaties nog steeds als middel gezien de migrant in staat te stellen en te houden desgewenst alsnog naar het land van herkomst terug te kunnen keren. Verder heerst de gedachte dat het beheersen van de eigen taal voor migranten een opstapje kan zijn naar het verwerven van algemene kennis, en zelfs tot vakkennis, als dat dan in het Nederlands niet zou mogen lukken. De progressieve buitenlandse organisaties, verenigd in het voor de Amsterdamse overheid ingerichte platform zijn in het algemeen – het KMAN in het bijzonder – ook voorstander van onderwijs in eigen taal en cultuur. Het KMAN heeft immers nadrukkelijk – het opnemend voor de eigen achterban – uitgesproken dat het een recht van de immigrant is om niet te integreren, ook in verband met een mogelijke terugkeer op termijn. De meeste Marokkaanse moskees – waaronder zeker de Nasr Moskee – zijn op hun eigen manier ook voorstander van het behoud van eigen taal en cultuur. Hen gaat het met name om het Arabisch en de islam.

De Centrumpartij is inmiddels in opkomst. De rechtsradicale partij, die zich sterk afzet tegen immigratie, wordt te vuur en te zwaar bestreden door de progressieve beweging, maar weet in 1982 haar eerste kamerzetel te behalen. De breed uitgesproken vrees daarbij dat op de een of andere manier de ‘fascisten’ weer aan de macht zullen komen lijkt erg irreëel. Aan de andere kant vinden in Nederland inmiddels aardig wat incidenten met een racistisch of anti-buitenlanderkarakter plaats, waarbij het doodsteken van de 15-jarige Antilliaanse Kerwin Duijnmeijer in een Amsterdamse snackbar door een neonazistsiche skinhead op 20 augustus 1983 een voorlopig tragisch dieptepunt vormt.

In de Indische Buurt laat het Anti-Fascisme Komitee Indische Buurt steeds meer van zich horen. Zo organiseert het Komitee ter herinnering aan de Februaristaking in 1941 in 1985 in de bibliotheek een tentoonstelling van foto’s die gemaakt zijn gedurende de anti-racisme week die van 21 t.m. 28 augustus 1984 in Amsterdam Oost werd gehouden. De tentoonstelling wordt geopend door leerlingen van de Pastoor Hesseveldschool.

Een nieuwe koers voor het KMAN

Inmiddels wil ook het project de Rode Nota, waarin zelforganisaties samenwerken met het buurtwelzijnswerk in Amsterdam nog steeds niet van de grond komen. Het KMAN, dat na de geslaagde hongerstaking door heel progressief Nederland en de kerken op handen wordt gedragen, is inmiddels heel wat minder populair geworden bij de progressieve achterban. Met name de heksenjacht op Amicales begin jaren tachtig heeft bij meer gematigde linkse partijen tot twijfel geleid, en bij de kerken inmiddels wat kwaad bloed gezet. Zo distantieert de Raad van Kerken zich na incidenten in de Nieuwe Kerk in december 1981 definitief van het KMAN.

Zij die de verstoring van deze bijeenkomst hebben meegemaakt, hebben met afschuw ervaren wat een gewelddadige aantasting van de vrijheid betekent. Deze vrijheid is blijkbaar niet minder bedreigd wanneer zij wordt aangevallen uit naam van het anti-fascisme dan wanneer dat gebeurt in naam van openlijk fascisme.

Een gesprek dat op 26 oktober 1983 tussen partijen gevoerd wordt, maakt de situatie niet beter. Het KMAN verwijt de kerken zich als partner te hebben teruggetrokken.

Vragen aan de (Raad van) Kerken

  1. Vroeger stond de kerk vlak naast de buitenlanders. In de dagen van “de 182” waren de kerken de enige organisatie die voor de buitenlanders opkwam. Nu wordt er alleen wat vaag over een “multiraciale samenleving” gepraat op een manier, die ver van de buitenlanders afstaat.
  2. De kerken maken de indruk met allerlei structuren bezig te zijn in plaats van contacten met de buitenlanders te zoeken.
  3. De kerken zoeken een dialoog met de centrumpartij, maar niet met de buitenlanders.
  4. De kerken die hielpen een moskee op te zetten, willen niet kiezen in het conflict, dat daar na het bezoek van een marokkaanse regeringsvertegenwoordige is ontstaan; in de praktijk betekent dit, dat de kerken achter de meerderheid aanlopen.
  5. De nederlandse kerken accepteren de verschillen niet, die er binnen de Islam zijn.
  6. De kerken zijn er op uit standpunten in te nemen in plaats van een beweging te steunen, organisatorische mogelijkheden te scheppen, mensen te bemoedigen.
  7. Wat hebben de kerken gedaan met de moties van de PCTR-conferentie, van Stockholm?
  8. Welke impulsen gaan er, publicitair en anderszins, uit van de (Raad van) Kerken ten behoeve van de buitenlanders?

 

Er is sprake van verbittering bij het KMAN over de afnemende steun van de kerken. Verbittering ook omdat niet-progressieve categorale organisaties steeds meer positie weten te verwerven in het gesprek met de overheid. Zo wordt voor de Amsterdamse 1 mei viering van 1984 ook de Poolse vakbond Solidariteit uitgenodigd om een stand te bezetten. Wanneer de mensen van Solidariteit een spandoek willen ophangen, wordt dat direct weggehaald wordt door de dominant aanwezige Platformpartijen, die eisen dat de reactionaire beweging Solidariteit direct uit het pand gezet wordt. Wanneer de organisatie van de 1 mei viering, die mede bestaat uit PSP, PPR en CPN, daar niet toe bereid is, verlaten de Platformpartijen demonstratief het pand. De organisatie Solidariteit wordt immers betaald door het CIA en het Vaticaan, volgens een verklaring van het Platform. Buiten komt het tot vechtpartijen tussen Solidariteit- en Platformaanhangers.

Meer vroegere medestanders beginnen af te vallen. Ook de Amsterdamse overheid valt de samenwerking met het Platform namelijk niet erg mee. Er is sprake van opmerkelijk weinig tastbare activiteiten – laat staan resultaten – in de wijken, en er is veel onderlinge ruzie. In feite is er natuurlijk ook sprake van een onmogelijke constructie. De progressieve platformpartijen, waarmee in een onbewaakt moment in zee is gegaan, zijn niet democratisch geborgd en hebben daarbij weinig tot nauwelijks achterban. Dit speelt met name voor het KMAN. De Amicalesjacht en de diverse blokkades hebben daarbij bij een groot deel van de beoogde Marokkaanse achterban kwaad bloed gezet. Het KMAN wordt hier en daar zelfs openlijk van de kansels van Amsterdamse moskees vervloekt. Voor de gemeente blijkt het KMAN daarmee geen geschikte partner te zijn als het gaat om het emanciperen van de Marokkaanse migrant. Ze gaat dan ook op zoek naar andere partners, zoals ook verwoord in de Platformnotulen van 21 november 1985.

De omstandigheden waaronder het platform nu leeft hebben te maken met de taktiek van de Gemeente om ons zwakker te maken. Daarvoor maken ze gebruik van opportunisten die zich profileren als vertegenwoordigers van de migranten.

De enige manier voor de Platformpartners om hun legitimiteit nog enigszins te kunnen handhaven is het benadrukken van de noodzaak bevolkingsgroepen categoraal te blijven ondersteunen door zelforganisaties, een opvatting die door de overheid niet langer gedeeld wordt. Gebrek aan kader, middelen en professionaliteit maakt het er voor de Platformorganisaties niet beter op om als transparante en betrouwbare partner voor de inzet van overheidssubsidies te functioneren. Het verband tussen maatschappelijke kosten en opbrengsten is in deze periode overigens in het hele welzijnswerk zoek, en het is vaak onduidelijk waar de geïnvesteerde geldstromen blijven.

Aangezien het KMAN duidelijk is dat de niet goed functionerende Amsterdamse constructie van de Rode Nota – samenwerking tussen categorale partijen en lokaal welzijnswerk – eindig is, zoekt de club onder leiding van Abdou Menebhi naar alternatieve manieren om haar categoraal programma door te zetten. Een van de mogelijke oplossingen lijkt tweede helft jaren tachtig de door het KMAN gepropageerde buurtplatforms. Dit zijn op basis van etnische achtergrond ingerichte platforms per buurt, waar – onder leiding van de Platformpartijen – zelforganisaties zich op categorale basis aan kunnen sluiten. Uiteraard moet nog steeds gewaakt worden dat geen ‘fascisten’ mee gaan praten, maar het KMAN is wat rekkelijker geworden en denkt met het idee van het buurtplatform toch wat meer op richting overheid op te schuiven. Ook het buurtplatform zal de Platformconstructie echter niet redden als structurele alleenvertegenwoordigende partner voor de Amsterdamse overheid.

De Rode Nota-constructie zal in 1991 uiteindelijk definitief worden beëindigd, maar Abdou Menebhi heeft inmiddels een nieuwe briljante, maar gezien de geschiedenis van het KMAN wel heel radicale oplossing verzonnen: een samenwerkingsverband van KMAN met de UMMAO, de vereniging van Amsterdamse Marokkaanse moskeeën. Door deze briljante zet weet het KMAN – nu samen met de UMMAO – het idee van de ook in deze constructie niet geborgde gedachte van alleenvertegenwoordiging nog een tiental jaren stand te houden  in de vorm van een Stedelijke Marokkaanse Raad, wederom in samenwerking met de Amsterdamse overheid en met hetzelfde programma: categorale belangenbehartiging met focus op het behoud van eigen taal en cultuur. Uit een interview met Abdou Menebhi begin jaren negentig – de Berlijnse muur is inmiddels gevallen – door Mellouki Cadat en Lex Veldboer komt een beeld naar voren van de in principe ongewijzigde denkwijze en ambities van Menebhi in die tijd. Enige citaten:

We zijn al jaren bezig binnen de belangrijkste buurten een Marokkaanse raad te vormen; die infrastructuur is er in Oud-West, de Pijp, de Indische Buurt en Bos en Lommer in de vorm van ouders- en jongerencomite’s. Dat is een realiteit, het hoeft niet te betekenen dat de Marokkaanse deelraadsleden het advies volgen van de raad maar als groep functioneert dit beter. In andere buurten wordt door groepen individuen initiatieven genomen voor Marokkaanse raden: in Osdorp, Amsterdam-Noord.

[…]

Wij proberen ons beleid te decentraliseren qua structuur maar te centraliseren in ons beleid, visie naar de deelraden met de gezamenlijke uitgangspunten: 1) de erkenning van de Marokkaanse raad als gesprekspartner i.p.v. advies geven, 2), streven naar een huis van de Marokkaanse gemeenschap in de buurt op allerlei gebieden, zoals voor  ouders, tweede generatie moet dat een plaats van activiteiten en informatie worden. Via de Marokkaanse raden uit de buurten moeten er dan stedelijke commissies komen, een commissie inspraak, een commissie jongeren., Dus van beneden naar boven en vice versa. We hebben de infrastructuur, die ervaring moet worden overgedragen. Politiek werkt soms positief maar soms ook negatief: waarom zou je op buurtniveau actief zijn er is toch een centrale Marokkaanse raad?

De samenwerking met de moskees, aldus Menebhi, dient vooral om antiracistische en categorale slagkracht te hebben, maar hoeft geen koerswijziging te betekenen. Het onverminderd handhaven van eigen taal en cultuur en het bestrijden van racisme staat nog steeds even hoog op het programma.

Nu is het niet meer de vraag hoe gaan we de strijd aan maar men gaat praten over de migrantenpolitiek. Zoals laatst in het Capitool waar de PvdA, Groen Links en Bruin als Nederlanders samen praten over de migrantenpolitiek. Bruin zegt migranten moeten weg, PvdA heeft het over ghetto’s […]. Het is niet meer praten over anti-racisme maar over migranten. Hetzelfde wat nu in Frankrijk gebeurt, gebeurt ook hier, dat is heel gevaarlijk. Daarnaast zijn er mensen van Links als Tineke Klinkenberg en Jan Beerenhout die proberen om Liberer l’ opinion over anti-immigratie en het buitenlandersprobleem. […] Ja, zij maken de weg vrij om migranten als oorzaak te zien van criminaliteit. Ze willen een taboe opheffen, het racisme tegen ons is voor hen geen probleem. De politiek doet hier ook aan mee.

De meer open houding van het KMAN naar de Marokkaanse achterban heeft ook te maken met de ontwikkelingen in Marokko. Er is daar sprake van een doorgaande liberalisering  – overigens van beperkt maar toch gezien de eerdere situatie van voldoende indrukwekkend karakter – waardoor misstanden aldaar minder gemakkelijk als voeding voor Marokkaanse saamhorigheid in Nederland ingezet kunnen worden. Meer en meer lijkt daarom het dreigend racisme als saambindend middel ingezet te worden, met nog steeds als doelstelling de Marokkanen als groep categoraal bij elkaar te houden om de doelstelling van het behoud van eigen taal en cultuur te kunnen blijven handhaven en daarmee de slagkracht van het KMAN als vertegenwoordiger van de Marokkanen in Nederland. Het is uit machtspolitieke overwegingen een begrijpelijke taktiek, maar draagt intussen bepaald niet bij aan de gewenste integratie van migranten van Marokkaanse afkomst in Nederland.

Groeiende spanningen

In de Indische Buurt begint zich net zoals elders in de stad in de tweede helft van de jaren tachtig een behoorlijke criminaliteit rond coffeeshops te ontwikkelen. De gedoogconstructie leidt er toe dat er enorme winsten te behalen zijn voor leveranciers van softdrugs, met name hash. Grootproducent van Nederlandse hash is Marokko. Met name in de Rif, waar veel migranten in Amsterdam uit afkomstig zijn en waarin door gebrek aan infrastructuur nauwelijks andere mogelijkheden tot lucratieve inkomsten zijn, wordt massaal geteeld. Uiteraard is veel geld te verdienen in het transport naar Nederland en zo komt een nieuwe tak – met de heroïnehandel uit het oosten en de cocaïne uit Zuid Amerika – van de Nederlandse drugshandel tot bloei. Het economisch succes van drugshandelaren is aantrekkelijk voor jongeren in de buurt.

Met name de jongeren die in de periode van gezinshereniging naar Amsterdam zijn gekomen, zijn wat betreft opleiding massaal tussen wal en schip terechtgekomen en zijn in feite praktisch bijna kansloos in de Nederlandse economie zoals die zich ontwikkelt. Zij hebben geen werk, te weinig aansluiting met de Nederlandse samenleving en vervelen zich. Steeds vaker komen verhalen in het nieuws van zich misdragende vooral Marokkaanse jongeren rond het Muiderpoortstation. De progressieve beweging in de buurt maakt zich daar ernstig zorgen over. Het racisme van de Telegraaflezers lijkt steeds meer de buurt te bereiken. Naar gevreesd wordt kent ook de Centrumpartij en haar opvolger Centrum Democraten een grote aanhang in de buurt. Maar de fascisten mogen het nooit opnieuw winnen. Die les is duur geleerd in de Tweede Wereldoorlog.

De gemeente inmiddels werkt aan anti-discriminatiebeleid. Er worden agenten onder etnische groepen geworven en de gemeentevoorlichting vindt structureel in minimaal drie talen plaats. Men tracht woningbouw door te voeren speciaal ingericht voor het grotere etnische gezin, maar wordt daarin door de landelijke regering tegengewerkt. Kortom, op alle mogelijke manieren wordt moeite gedaan de diverse etnische groepen enerzijds in hun eigen etniciteit tegemoet te treden en anderzijds de autochtone bevolking door voorlichting van hun racistische sentimenten af te helpen. De situatie wordt er echter inmiddels niet beter op in de wijken. Met name is het racisme van de politie nu een belangrijk actiepunt van de progressieve inzet. Het blijkt dat relatief veel allochtonen door de politie worden aangehouden. Het racistisch politieoptreden wordt ook in de Indische Buurt sterk aan de kaak gesteld door buurtactivisten.

Inmiddels is Ons Huis aan Zeeburgerdijk 23, waarin ook het KMAN Oost gevestigd was, in najaar 1988 gesloten. Er wordt in die periode nagedacht over een nieuw stedelijk concept: het zogenaamde Migrantenhuis. Ook in Oost zou een dergelijk Migrantenhuis kunnen komen, aldus een notitie van Majid Redouan van het Wijkopbouworgaan, maar dan in de vorm van een huis voor de Marokkaanse gemeenschap. De zojuist beschikbare ruimte van Ons Huis zou daar prima geschikt voor zijn. Redouan spreekt met name vanuit het KMAN en de daaraan gelieerde organisaties.

De betrokkenheid van het KMAN bij de oprichting van de Marokkaanse Raad Zeeburg is in eerste instantie uiteraard groot, met onder andere kaderlid van het eerste uur en tevens deelraadslid voor GroenLinks Zeeburg Omar El Miloudi op de achtergrond. Ook Mohammed Khoja, een verklaard tegenstander van het Marokkaans regime, is heel actief. Khali Chaara, die later subsidieverstrekkend welzijnsambtenaar van Stadsdeel Zeeburg zal worden, is eerste secretaris. Er fungeren in deze tijd al wat andere Marokkaanse zelforganisaties in de buurt, zoals Al Rissala, dat huiswerkbegeleiding verzorgt, en Al Khamsa, de vrouwenclub. Ook ontstaat ergens in de eerste helft van de jaren negentig het Marokkaans Oudercomité, die apart subsidie krijgen en Koranlessen organiseren in de Bataviastraat.

Eerste voorzitter van de Marokkaanse Raad Zeeburg, die vanuit welzijnsbolwerk Obiplein 4 opereert, is leraar Arabisch Hasan Ayi, van het KMAN. Lang niet alle Marokkaanse migranten in de Indische Buurt zijn overigens enthousiast over de Marokkaanse Raad Zeeburg. Het hele principe van een dergelijke adviesraad wordt door velen nogal verdacht gevonden: een soort inlichtingendienst ten behoeve van de overheid. Een vroege voorzitter van de Marokkaanse Raad Zeeburg is Ahmed El Mesri, die zich in tweede instantie niet erg bij de Marokkaanse Raad thuisvoelt en al vrij spoedig als voorzitter weer vertrekt. Andere voorzitters zijn Moustafa Al Filafi (ook betrokken bij GroenLinks Zeeburg) en Abdou El Khatabbi, die voorzitter is tot op de dag van vandaag.

Alhoewel eerder al duidelijke verschillen van inzicht bestaan tussen de gemiddelde autochtone Nederlander en islamitische migranten over de positie van Israël in het Midden Oosten, beginnen met name na de publicatie van de Duivelsverzen van Salman Rushdie in 1989 en het doodvonnis tegen de schrijver uitgevaardigd door de geestelijk leider van Iran, Ayatollah Khomeini, de inzichten tussen islamitische en niet-islamitische Nederlanders steeds nadrukkelijker rond religieuze focuspunten uiteen te drijven. Daarbij komen de groeiende spanningen in de Indische Buurt tussen rondhangende jongeren en buurtbewoners. Steeds vaker wordt de politie beschuldigd van racistisch optreden.

De vlam slaat in de pan wanneer de politie op zondagmiddag 22 april 1990 in de Palembangstraat een zekere mijnheer Bourdoud op agressieve wijze aanhoudt in verband met een verkeersovertreding, waarbij deze weigert zijn papieren te overhandigen. De heer Bourdoud verliest bij de schermutseling een tand en wordt geboeid afgevoerd voor de ogen van vrouw en kind. Dit wordt door omstanders niet gepikt en er ontstaat een volksoploop. Uit een verslag van de ad hoc onderzoekscommissie:

Geinformeerd over het voorval spoedden Tara Oedaraysing Varma, Abdou Menebhi en anderen, zich van een vergadering van het stedelijk anti-racisme/facismeplatform op de F. Bollstraat, naar de volksoploop. Onderwijl informeert Tara van Thijn dat iets ernstigs is gebeurd in Oost. Aangekomen en na zich te hebben geïnformeerd loopt men naar de politiepost aan de Balistraat. Daar werd een gesprek afgedwongen op het Buro IJ-tunnel. Als een delegatie daar rond 16.30 uur arriveert ontmoeten zij op het bureau tevens Van Thijn die zich ter plaatse persoonlijk kwam informeren en aan de bespreking deel nam. Door Van Thijn en politie werd toegezegd dat een onderzoek zal worden ingesteld waarvan het resultaat openbaar zal zijn. ’s Avonds werd vanuit de Marokkaanse Raad ondersteuning gezocht en gevonden bij het anti-racimse/fascismeplatform in Oost. […] De buurtwinkel werd opengesteld voor een vergadering van een zestig-tal voornamelijk Marokkaanse buurtbewoners.[…] 23 april. In de ochtend werd […] de groepen en instellingen in de buurt benaderd voor een spoedoverleg die middag om 17.00 uur in de Buurtwinkel. Dit overleg besloot tot een verklaring waarin het politieoptreden werd afgekeurd. Zij eisten een verklaring voor betrokkenen en omwonenden, stopzetting van politiegeweld, en dat betrokken agent gedurende het onderzoek geen straatsurveillances doet. Deze verklaring werd ondertekend door: Het Wijkopbouworgaan, de Buurthuizen, Vrouwenhuis Onze Trots, de Marokkaanse Raad, Anti-racisme/fascismeplatform, Ontmoetingscentrum voor Turkse en Marokkaanse vrouwen, deelraadslid van Groen Links, slagerij Gazi Antep en deelraadslid voor de partij van de Arbeid. Die middag werd tevens een verklaring opgesteld ter ondertekening door belangstellenden. Op de vergadering is een ad-hoc commissie ingestel om de verdere afhandeling van de zaak te begeleiden. […] 35 april. Een lid van de ad-hoc commssie wordt door de chef van het politieburo Balistraat gebeld, en vervoegt zich voor een gesprek aan diens buro. De chef deelt mee een goede relatie met de buurt op prijs te stellen. Hij is ontstemd over de opgestelde verklaring. […]

De ad hoc onderzoekscommissie is samengesteld uit en wordt ondersteund door de Marokkaanse Raad, het in 1989 opgericht Anti-racisme/fascisme platform Indische Buurt, de Partij van de Arbeid, GroenLinks en de buurthuizen in de buurt. Het verslag van het politieoptreden, ondertekend door Jan Müter (Anti-racisme/fascismeplatform) en Omar El Miloudi (KMAN/GroenLinks) wordt door de commissie door de gehele buurt verspreid.

De Amerikaanse inval op Irak nadat dit land Koeweit is binnengevallen in 1990 lijkt de tegenstellingen in de buurt verder te vergroten. Daarbij komt dat in het zojuist opgerichte stadsdeel Zeeburg, waar de Indische Buurt toe behoort, zojuist een nieuwe welzijnskoepel is opgericht waarbij de organisaties van buitenlanders niet expliciet om advies gevraagd is. De ontevredenheid van de organisaties is groot en wordt in november 1990 uitgedrukt in een petitie aan de nieuwe Stadsdeelraad (voorzitter Stephan Sanders (PvdA), wethouder minderheden Germaine Princen (GroenLinks) die door de meeste zelforganisaties in de buurt wordt ondertekend en waarin op basis van etniciteit een bestuursplaats voor minimaal vier leden van zelforganisaties gevraagd wordt.

De onrust rond de Golfoorlog duurt voort. Samen met buurtorganisaties organiseert GroenLinks hier demonstraties tegen. De Marokkaanse Raad Zeeburg publiceert een verklaring waarin gesproken wordt over toenemende discriminatie van Marokkanen vanwege de Golfoorlog. Om meer begrip voor islamitische buurtbewoners te organiseren, publiceert de Tong Tong uitgebreide artikelen over de achtergrond van het islamitisch geloof, zoals bijvoorbeeld over de betekenis van Ramadan en er worden culturele manifestaties georganiseerd.

Ook wordt begin 1991 veel gesproken over de mogelijke vestiging van een Migrantenhuis in de Indische Buurt. Aan de besprekingen nemen onder andere Omar El Miloudi, voormalig voorpostambtenaar Jan Beerenhout en buurtbewoner Ron Haleber mee, die zojuist een succesvolle artikelenbundel rond de Rushdieaffaire heeft geredigeerd en mede uitgegeven en later zal promoveren op radicalisering van stedelijke jongeren in Marokko.

Op 4 mei 1991 worden in het Oosterpark in het bijzonder de gevallenen van de Golfoorlog herdacht op de zogenaamde Midden Oost conferentie. De conferentie wordt georganiseerd uit verontwaardiging over de Golfoorlog en als reactie op het waargenomen steeds sterker wordende racisme in de buurt. Centraal staat de vraag: ‘Hoe kunnen we interculturele solidariteit vormgeven?’ Voorzitter is buurtactivist Peter Posthumus. Organiserende partijen zijn het Anti-racisme/fascisme comité Indische Buurt, de Amsterdamse Turkse arbeiders- en jongerenvereniging, de Anti-golfoorlogorganisatie en de organisatie Lokaal en Internationaal. Diverse aanwezigen spreken hun zorg uit over het feit dat alternatieve informatie betreffende de Golfoorlog niet in buurtkranten wordt opgenomen. Zo heeft de heer Faruk een stuk geschreven dat uiteindelijk niet in de Oosterparkkrant wordt opgenomen. Diverse suggesties om het fascisme te bestrijden passeren de revue.

Opnieuw slaat de vlam in de buurt in de pan wanneer de politie op 10 mei 1991 een Turkse jongen die op het Javaplein met een speelgoedpistool zwaait arresteert. Alhoewel de zaak in eerste instantie met een sisser afloopt en ook de ouders de zaak in tweede instantie niet in het kader van racisme geformuleerd willen zien, organiseert het Anti-racisme/fascisme platform op 13 juni een bijeenkomst in de buurtwinkel op Obiplein 4, waarin aan het racistische element van het politieoptreden intensief aandacht wordt besteed. De vergadering loopt behoorlijk uit de hand wanneer jongerenwerkers Jan Vermij en Jan Mooienkind het optreden van het platform laken. Het gaat met name om een wederom door het platform in de buurt verspreid pamflet, waarin de betwiste zinsnede is:

Gezien het optreden en de houding van de politie rijzen er vragen over de competentie van het team om in een multi-culturele buurt als de Indische Buurt te opereren.

Ook zou de politie zich volgens het pamflet geëxcuseerd hebben voor de racistische opmerking ‘Jodenvolk’ voor de Turkse jongen; een bericht dat later uitsluitend bleek te berusten op de verklaring van en andere Turkse jongen. Kortom, een laag bij de gronds en contraproductief pamflet, volgens de beide jongerenwerkers. Ook de fractievoorzitter van de PvdA Zeeburg heeft zich inmiddels met het geval bemoeid en in een open brief zich van het platform gedistantieerd. De verslaggever van de bijeenkomst, Ron Haleber, heeft het er moeilijk mee. De voortdurende beschuldigingen van racisme zijn niet productief, maar het negeren van de problemen ook niet.

Voor wie zijn oor te luisteren legt bij de buitenlanders die toch een 40% van onze buurt uitmaken is onbehagen over de relatie met de Nederlanders niet onbekend. Daarbij gaat het natuurlijk niet aan de buitenlanders als heiligen voor te stellen. Zij zijn buurtbewoners met hun goede en kwade kanten net als alle andere buurtbewoners. Wegens de grotere werkloosheid en de achterstand in taal en opleiding kampen vooral de jongeren van de tweede generatie met grote problemen die ook in onze buurt hinderlijk zichtbaar worden. Daarbij speekt mee dat bijvoorbeeld de Marokkaanse jongeren geen enkele eigen plek in de buurt hebben waar zij elkaar kunnen ontmoeten; daar zou dringend in voorien moeten worden. Als er geen extra aandacht voor hun achterstand komt zullen die problemen alleen maar toenemen.

Te gemakkelijk is het te stellen zoals op de vergadering gebeurde dat we allemaal dezelfde buurtbewoners zijn met dezelfde problemen. Alleen al de verschillen in taal en cultuur maken het met elkaar omgaan tot een uitdaging die niet een, twee, drie te overbruggen is. In de tussentijd is het wel een eerste vereiste dat er met geduld naar de buitenlanders geluisterd wordt en zeker naar degenen onder hen die van inspanning blijk geven om iets aan de problemen te willen doen. Als we dat geduld niet kunnen opbrengen en de buitenlanders dat wat er fout gaat in de schoenen gaan schuiven, zullen ook de weinigen van hen die zich nu als buurtbewoner voor hun groep en het samenleven met Nederlandse buurtbewoners inzetten, de strijd opgeven. We zullen dan te maken krijgen met een ongrijpbare groep die zich als blok zal opstellen tegenover andere buurtbewoners. Dit is nu precies wat we niet willen!

Stadsdeel Zeeburg

Rond 1990 is het afgelopen met de politieke macht van het KMAN. De platformconstructie als vorm van categorale ondersteuning wordt niet door de Gemeente Amsterdam voortgezet. En ook landelijk wordt de organisatie als adviesorgaan voorbijgestoken door het Samenwerkingsverband van Marokkaanse en Tunesische organisaties (SMT). Dit samenwerkingsverband wordt in 1990 tot de Landelijke Advies- en Overlegstructuur Minderhedenbeleid toegelaten. De KMAN en UMMON mogen daarbij onder de paraplufunctie aanschuiven, maar voor Menebhi betekent dit dat hij de strijd om hegemonie verloren heeft. Hij begint zich terug te trekken uit het KMAN en start in 1993 samen met internationaal socialist René Danen Nederland Bekent Kleur op, een anti-racistisch actiecomité dat jaarlijks demonstraties en bijeenkomsten organiseert. Vandaag de dag is Menebhi, na zijn verzoening met de Marokkaanse overheid, vooral actief in het in 1998 opgerichte EMCEMO, het Euro-Mediterraan Centrum voor Migratie en Ontwikkeling, dat samen met de Marokkaanse overheid met name pleit voor transnationaal burgerschap voor Marokkanen.

Alhoewel de KMAN landelijk uitgespeeld is, blijft het KMAN in Amsterdam via het samenwerkingsverband met UMMON via de Marokkaanse Raad nog een tijdje een rol spelen, ook in sommige in 1990 door de Amsterdamse overheid ingerichte stadsdelen, zoals Zeeburg. Die rol is echter beperkt. Het overkoepelend orgaan Marokkaanse Raad Zeeburg is vooral een ereclub voor mannen, die zelf tot weinig productie komt. Anders is dat voor de bij de Marokkaanse Raad Zeeburg aangesloten zelforganisaties, die wel degelijk in meerdere of mindere mate tot een zekere productie komen bij ondersteuning van de doelgroep. Probleem daarbij is wel het verschil in focus tussen overheid en zelforganisatie. Waar de overheid met name bezig is te proberen etnische en culturele minderheden uit hun isolement te halen en in de Nederlandse samenleving te integreren, zoeken de zelforganisaties vaak het tegenovergestelde: versterking en afscherming van de etnische groep.

Eind 1991 wordt het Migrantenplatform voor het Stadsdeel Zeeburg opgericht. Naast de bekende deelnemers aan de Marokkaanse Raad Zeeburg schuiven nu een aantal Turkse organisaties aan die allen gelieerd zijn aan de Ulu Moskee op de Zeeburgerdijk. De Nasr Moskee doet nog steeds niet mee. Doel van het Migrantenplatform, dat ondersteund wordt door het welzijnswerk, is met vereende krachten een positie ten opzichte van de Zeeburgse overheid te kunnen opbouwen, de belangen van de achterban te verdedigen en de politiek gevraagd en ongevraagd van advies te dienen. Intussen heeft de overheid op haar beurt besloten een migrantenwerker aan te stellen bij het Wijkopbouworgaan, om op die manier ook wat meer grip van autochtone kant op de weerbarstige materie te krijgen. De (Turkse) migrantenwerker wordt per 1992 voor 20 uur per week aangesteld. Stagiair bij het Wijkopbouworgaan is in de jaren 1992 en 1993 Khalid Chaara, van Marokkaanse afkomst. Chaara zal later belangrijk welzijnsambtenaar voor Stadsdeel Zeeburg worden.

Inmiddels is de Marokkaanse gemeenschap rond de Nasr Moskee er al in 1989 in geslaagd een eigen islamitische school van de grond te krijgen, El Farouq Omar en zijn er nu ook plannen voor een zo noodzakelijk groter moskeepand. De Turkse gemeenschap heeft in 1992 al een eigen pand voor elkaar weten te krijgen door onder andere het stadsdeelkantoor te bezetten: de sloop van het door de moskeegemeenschap met activistische hulp gekraakte pand op Zeeburgerdijk 119 wordt gestopt en het pand kan worden overgenomen door de Turkse moskeevereniging. De Marokkaanse gemeenschap op haar beurt zal in 1993 de voormalige Rogatekapel aan de Batjanstraat verlaten en in een door de overheid nieuw ontwikkeld gebouw aan de Celebesstraat trekken. Het is ook hoog tijd dat de moskee verhuist, want de (parkeer)overlast van het grote moskeebezoekers is voor omwonenden inmiddels onaanvaardbaar groot geworden. De financiëring van de nieuwe moskeeruimte is lange tijd problematisch maar wordt uiteindelijk, net als die van eerder de school, in Saudi Arabië gevonden.

El Farouq Omar is lange tijd de enige islamitische school in Amsterdam Oost en trekt zeer veel leerlingen uit de hele stad. Voorzitter van de school en grote man op de achtergrond is Mohammed Chami, de man die  de financiering weet te regelen. De school is de islamitische trots van de Indische Buurt, maar komt in 2004 zeer slecht in het nieuws wanneer Chami wordt gearresteerd. In 2006 zal hij tot twee jaar cel worden veroordeeld wegens fraude, wapenbezit en het in dienst hebben van illegalen. De school komt verder ongunstig in het nieuws vanwege berichten dat Chami ook contact zou hebben met onder andere Hamas.

In de Indische Buurt is inmiddels steeds meer een soort strijd aan het ontstaan tussen het stadsdeelbestuur onder leiding van Steinmetz (PvdA) en de migrantenorganisaties ondersteund door het welzijnswerk. Het stadsdeelbestuur spreekt – daarbij regelmatig tegengesproken door de eigen fractie, die pleit voor subsidiëring van zelforganisaties – steeds nadrukkelijker uit dat ter bevordering van de noodzakelijke integratie verwezen wordt naar de algemene welzijnsvoorzieningen en dat er geen ruimte meer is voor gesubsidieerde categorale organisaties.

De werkelijkheid trekt zich vooralsnog weinig aan van de opvattingen en wensen van de stadsdeelvoorzitter. Juist in de jaren negentig zal er in de Indische Buurt sprake zijn van een voortdurend ontstaan van nieuwe categorale zelforganisaties, vaak gelieerd aan bestaande leidersfiguren en krachten op de achtergrond en met vaak weinig behoefte aan integratie bij te dragen. Zo presenteren zich begin jaren negentig de Turkse culturele vereniging Anatolia en het Islamitisch Sociaal Maatschappelijk Werk van Chami. In 1992 ontstaat ook de MAOI, de Marokkaanse Activiteit Ouderen Indische Buurt, met Abdullah Kora, Abdel Hadi en Ahmed El Mesri, de latere voorzitter van Assadaaka. MAOI, dat zegt 500 Marokkaanse buurtbewoners te vertegenwoordigen, maar op het programma heeft zich te willen inzetten voor zowel Marokkaanse als Turkse buurtbewoners,  sluit zich aan bij de Marokkaanse Raad Zeeburg. De Marokkanen van de Indische Buurt hebben dan inmiddels een eigen ruimte weten te veroveren achterin het Karrewiel, van waaruit een en ander tot stand komt. Uiteindelijk zal El Mesri, na tijdelijk voorzitter geweest te zijn van de Marokkaanse Raad Zeeburg, een eigen bewust niet-categorale organisatie, Assadaaka, oprichten die tot op vandaag de dag in de Indische Buurt actief is. Hierover later meer. Een ander succesvol initiatief uit die periode dat het lang weet vol te houden is meidenvereniging Silver Sissor.

Wel of niet subsidiëren van zelforganisaties zal nog geruime tijd het belangrijkste politieke gespreksonderwerp blijven in Zeeburg. De integratie wil nog niet erg lukken. Het Anti-racisme/-fascisme Komitee Indische Buurt publiceert bij een door haar georganiseerde discussiebijeenkomst in mei 1992 een brochure over racisme en discriminatie in de Indische Buurt. Het gaat niet goed in de buurt. Door middel van het organiseren van allerlei soorten multiculturele ontmoetingen probeert het Stadsdeel tegenwicht te bieden tegen de oplopende spanningen tussen de bevolkingsgroepen.

Bureau Balistraat

Wanneer het realityprogramma Bureau Balistraat in de Indische Buurt aan het filmen is – de bedoeling van het TROS-programma is dat politieagenten in de verloederde wijk op de voet gevolgd worden – valt het wel met de neus in de boter als tijdens de opnames sigarenwinkelier André Hartman op 6 november 1993 tijdens een overval door een 17-jarige jongen van Marokkaanse afkomst, Mohammed Bouznifin, wordt doodgeschoten. De gemoederen in de buurt lopen enorm op, vooral als blijkt dat de jongen al enkele jaren samen met enkele vrienden een 50-jarige vrouw had doodgestoken. Een en ander draagt zeker bij aan de electorale winst van de CP 86, die in 1994 twee zetels in de raad van Zeeburg weten te bemachtigen.

Op 10 december 1993 vindt in de buurtwinkel Obiplein een bijeenkomst plaats die georganiseerd is door de Marokkaanse Raad Zeeburg. Onderwerp is met name in hoeverre zelforganisaties integratie in de weg staan of juist bevorderen, en in hoeverre ze dan ook gesubsidieerd zouden moeten worden. De standpunten lopen uiteen. Waar PvdA-er Leon Vlasblom en buurtactivist Ron Haleber van mening zijn dat zelforganisaties bijdragen aan het zelfgevoel van migranten en daarmee nuttig zijn voor de integratie, merkt een buurtbewoner met een Indische achtergrond op dat integratie juist plaatsvindt wanneer migranten deel gaan nemen aan Nederlandse organisaties en cultuur. Instellingen zouden daarom meer migranten in dienst moeten nemen, in plaats van over te leveren aan zelforganisaties. Al met al besluit de stadsdeelraad begin 1994 echter de subsidie voor de banenpoolers van de zelforganisaties in de Indische Buurt in niet te verlengen, ondanks protest van GroenLinks. Uiteindelijk zullen alleen de zelforganisaties Kübra (in het kader van vrouwenemancipatie) en Al Rissala (huiswerkklassen) alsnog worden gesubsidieerd.

De verkiezingen van 1994 komen er aan en daarmee de hangende dreiging van deelname van CP86 aan Zeeburgs bestuur. Daarom verspreidt een groot aantal samenwerkende organisaties een brochure in de buurt tegen deze partij. Met name de beweringen van de CP86 dat buitenlanders eerder een huis zouden krijgen of percentueel hoog in de misdaadcijfers vertegenwoordigd zouden zijn, worden in de brochure beslist en stellig tegengesproken.

Het zijn ook gewoon leugens. In werkelijkheid moeten “buitenlanders” even lang wachten op een woning en leveren zij percentueel zelfs een lagere bijdrage aan de criminaliteitscijfers dan de “echte” Nederlanders.

Aldus de brochure, die uitgebreid geciteerd wordt in de Tong Tong. De uitgave mag niet baten. Wegens de verslechterde verhouding tussen migranten en autochtonen in de buurt wint de CP86 bij de verkiezingen van 2 maart niet één, maar zelfs twee zetels. Installatie vindt plaats op 12 april 1994, terwijl buiten het Stadsdeelkantoor een luidruchtig protest plaatsvindt dat is georganiseerd door het Wijkopbouworgaan en het Anti Racisme Platform. Moustafa Filafi van de Marokkaanse Raad en Laetitita Ederveen van GroenLinks spreken de boosdoeners toe, van wie een min of meer geposeerde krantenfoto wordt genomen met als achtergrond een bord met ‘Fout na de oorlog’. Stadsdeelvoorzitter Stephan Steinmetz op zijn beurt verklaart met de betreffende raadsleden in principe te zullen samenwerken zolang de democratie hun opvattingen verdraagt.

De raadsleden van de CP 86 – in Amsterdam geleid door Wim Beaux – zijn bepaald geen aanwinst voor het democratisch proces. De CP 86 zal dan ook in 1998 niet meer in de raad terugkeren. Beide mannen lijken vooral een groot alcoholprobleem te hebben, volgens regelmatig in de media verschijnende berichten. Al vrij spoedig treedt het ene lid, Cees van Eck, uit de partij, terwijl het andere lid, Antoon Dekker, nog een celstraf uit moet zitten. Daarbij wordt tegen Dekker door een groot aantal buurtorganisaties een aanklacht ingediend vanwege een interview met het Amsterdams Stadsblad, waarin hij andere partijen in Zeeburg verwijt buitenlanders als stemmentrekkers op de lijst te zetten. Inderdaad hebben met name de PvdA en GroenLinks, die samen de meerderheid in de stadsdeelraad vormen, migranten op de lijst staan. Yman Mahrach zal in deze periode voor GroenLinks als Marokkaans raadslid in de raad plaatsnemen.

De Indische Buurt wordt inmiddels – vooral dankzij de zesdelige realityserie Bureau Balistraat – ook landelijk gezien als een van de ergste wijken van Nederland. Een paar ondernemende Leidse studenten hebben daarom het begrip Wijksafari uitgevonden en beginnen rondleidingen voor durfals door deze gevaarlijke buurt. Intussens blijven de Zeeburgse welzijnswerkers aan de basis hun best doen de positie van migranten te verbeteren, onder andere door het geven van voorlichtingsbijeenkomsten in de Meevaart in de Balistraat over de vergoeding van ziektenkosten tijdens een verblijf in Marokko. Het welzijnswerk in Zeeburg is echter inmiddels in zwaar weer terecht aan het komen vanwege de steeds slechtere verhouding met het stadsdeelbestuur. Er komen grote bezuinigingen aan. Uiteindelijk zal Stichting Welzijn Zeeburg, zoals het conglomeraat van buurtwelzijnsinstellingen dan inmiddels heet, in 2003 over de kop gaan.

Het stadsdeelbestuur zwabbert op het welzijnsfront, vindt met name de Tong Tong, dat uitgegeven wordt door het Wijkopbouworgaan en daarmee geen neutrale informatiebron is. Dat blijkt bijvoorbeeld, aldus het blad, door het niet langer ter beschikking stellen van subsidie voor de huiswerkklasjes van (de categorale) Stichting Al Rissalla.

De huiswerkklas van Stichting Al Rissalla wordt sinds 3 jaar druk bezocht door met name Marokkaanse leerlingen uit stadsdeel Zeeburg. De huiswerkklassen zijn opgericht om leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool en klas 1, 2 en 3 van de middelbare school begeleiding op het gebied van Nederlands, Engels, Wiskunde en Biologie te geven.

Hoewel het project succesvol draait, in termen van duidelijke verbetering in de schoolresultaten van de deelnemers aan het project  en het bieden van een zinvolle educatieve bezigheid aan leerlingen uit het stadsdeel, heeft het stadsdeelbestuur in februari 1993 besloten de subsidiekraan voor het project dicht te draaien. Men vond dat dergelijke projecten een taak zouden zijn van het Sociaal Cultureel Werk in de buurt, zonder daarbij aan te geven hoe dat laatste de extra middelen hiervoor moet zien te verkrijgen. Kortom weer een “heldendaad” van het stadsdeelbestuur om “te voorzien” in de behoefte van de allochtone leerling, die vaak met achterstand op dit gebied te kampen heeft.

Zoals eerder vermeld zal Al Rissala uiteindelijk als een van de weinige categorale organisaties alsnog verlenging van subsidie krijgen.

Het jaar 1994 is ook het jaar van de eerste grote aardbeving in Al Hoceima. Veel Marokkaanse buurtbewoners zijn afkomstig uit Al Hoceima en omgeving en de aardbeving heeft grote impact. In 2004 zal in Al Hoceima zich nog een, zelfs sterkere, aardbeving voordoen, waarbij vele doden vallen en waarvoor uit de Marokkaanse gemeenschap in Nederland en in het bijzonder de Indische Buurt veel hulp ingezameld zal worden.

Overlast

De criminele overlast in Zeeburg van jongeren van met name Marokkaanse afkomst wordt in de wijkmedia en lokale politiek zoveel mogelijk verzwegen, maar heeft inmiddels tot aandacht van het landelijk Ministerie van Justitie geleid. Het Ministerie overweegt een proefproject in Zeeburg. De DSP Groep maakt daartoe in 1992 een inventarisatie van de op dat moment bestaande problematiek in een Notitie Inventarisatie Zeeburg: organisaties, activiteiten, omvang van de problematiek en draagvlak. Informanten voor de brochure zijn onder andere wijkteamchef politie Ten Boer, Abdou El Khattabi, op dat moment jongerenwerker in de Indische Buurt, en de heren Filali (op dat moment voorzitter Marokkaanse Raad Zeeburg, El Mouaden (medewerker Marokkaanse jongerencentrum Argan), de heer Lhaiba (migrantenwerker Zeeburg en Oostelijke handelskade-gebied) en de heer Majoubi (contactpersoon zelfredzaamheidsgroep Marokkaanse ouders).

In 1992 kent Zeeburg, aldus het rapport, 25.765 inwoners, waarvan 3.308 van Marokkaanse afkomst. Het grootste deel daarvan, 1.908 personen, zijn mannen. Daarvan zijn er 363 tussen de 8 en de 18, de te onderzoeken groep. Alhoewel op het moment van schrijven geen recente cijfers over de omvang van de criminaliteit van Marokkaanse jongens in Zeeburg bestaat, wordt deze naar inschatting van bovengenoemde betrokkenen groot geacht, met een harde kern van zo’n 25 jongens. Om de harde kern zwermen zo’n 200 – 300 meelopers. Dat betekent dat het grootste deel van de jongens direct of indirect bij criminaliteit betrokken is, aldus het rapport. Reden om hier intensieve aandacht aan te gaan besteden. Hieronder een overzicht van alle partijen die op dat moment met deze jongerengroep bezig is.

Wijkteam Balistraat is sinds 1990 bezig de problematiek te onderzoeken en te bestrijden. Er is contact gezocht met de Marokkaanse gemeenschap en er is een zelfredzaamheidsgroep van de grond gekomen die uit 10-15 Marokkaanse ouders bestaat. Deze groep wordt steeds geconsulteerd wanneer er zich problemen voordoen. De zelfredzaamheidsgroep zoekt dan een bemiddelende rol met de ouders van de betreffende jongere, waarna de Marokkaanse gemeenschap het probleem in eigen kring oplost. Incidenteel heeft het wijkteam ook contact met de Marokkaanse Raad Zeeburg of met individuele gezinnen. Verder is er contact met Stichting Boppi, die naschoolse opvang verzorgt voor Marokkaanse jongeren.

Stichting Jongerenwerk Indische Buurt (JIB) ondersteunt laag- en ongeschoolde jongeren en heeft sinds 1992 een ambulante Marokkaanse toener-/jongerenwerker die jongeren ondersteunt bij vrijetijdsbesteding en begeleiding naar werk/scholing.

De Marokkaanse Raad Zeeburg is een overkoepelend orgaan waarvan geen specifieke activiteiten in dit kader bekend zijn, maar met name Al-Rissala houdt zich ook projectmatig bezig met de aanpak van problemen van de Marokkaanse buurtjeugd, onder andere door het organiseren van huiswerkklassen. Een andere partij die actief is voor jongeren is het sinds 1989 bestaande Marokkaans Oudercomité (MOC), dat in samenwerking met Al-Rissala ook huiswerkklassen organiseert, maar meer islamitisch georiënteerd is. Dat is er Stichting Islamitisch Maatschappelijk Werk, be die zowel de As Siddieqschool als een eigen welzijnsinstelling beheert en uit de aard der zaak een groot bereik onder de jeugd heeft, en tenslotte de Stichting Arabische Islamitische Opvoeding die zich in het weekend met name over de Arabische islamitische opvoeding van de jeugd bekommert.

Dan is er het project ouderparticipatie basisonderwijs, waar vijf scholen in Zeeburg aan deelnemen, en dat er vooral op is gericht Marokaanse en Turkse ouder informatie te geven over het onderwijssysteem en ook nog als doelstelling heeft deze ouders op te leiden tot deelnemers aan medezeggenschapsraden en oudercommissies. Verder worden de kaders van de zelforganisaties getraind door Stadsdeel Zeeburg en zijn er de Op Stap-projecten voor (o.a.) Marokkaanse moeders met kinderen van 4-6 jaar.

Het rapport gaat verder in op het draagvlak van een eventueel proefproject van het Ministerie van Justitie. Dat draagvlak is er wel, zo blijkt uit de gesprekken, maar meer moeilijkheden levert de vraag op wie of welke organisatie dit project zou kunnen trekken. Dat is nog niet zo gemakkelijk.

De diverse in Zeeburg werkzame organisaties en instellingen blijken lang niet altijd een even positief beeld te hebben over elkaar motieven en activiteiten. In een dergelijke situatie is het niet ondenkbaar dat de keuze het formele werkgevenschap bij een bepaalde partij onder te brengen, door de anderen opgevat wordt als een diskwalificatie van de eigen capaciteiten. Hierdoor zou indirect een bron voor toekomstige conflicten geschapen worden die de voortgan en continuïteit van het proefproject uiteraard niet ten goede komt.

De politie moet het vermoedelijk niet zijn, want een daar werkend coördinator zal vermoedelijk niet geaccepteerd worden door de Marokkaanse gemeenschap, aldus het rapport. Het Ministerie van Justitie zal op dezelfde manier vermoedelijk ook niet worden geaccepteerd. De stadsdeelraad wordt door niemand van de betrokkenen gewenst als projecttrekker. Een enkeling ziiet een rol voor het neutrale Argan, maar anderen vrezen dat deze nieuwe organisatie de jongeren als doelgroep nog niet kent. De Marokkaanse zelforganisaties lijken ook niet geschikt te zijn, vanwege de zwakke organisatorische structuur. Kortom, het meest geschikt lijkt het JIB, onderdeel van Stichting Welzijn. Alhoewel er wel conflicten geweest zijn tussen het JOB en Marokkaanse ouders, blijkt de vertrouwensbasis met de Marokkaanse gemeenschap niet geschaad en blijft het JIB, waarin ook een jongerenwerker actief is die gelieerd is met de Marokkaanse Raad en het Marokkaanse Oudercomité, de meest geschikte kandidaat.

Het is helaas jammer genoeg vooralsnog niet te achterhalen in hoeverre het beoogde proefproject ooit van de grond is gekomen. Wel is het zo dat de situatie van de Marokkaanse jongeren in de jaren negentig steeds grotere zorgen begint te baren bij politici en beleidsmakers. Het lijkt voor buitenstaanders niet goed mogelijk om contact met de groep te krijgen, terwijl ook de ouders niet in staat zijn om hun kinderen in het gareel te houden. Ook de overheid heeft nauwelijks grip op de groep. Aangezien de contacten met de zelforganisaties niet leiden tot een beter contact met de doelgroep daar achter, lijkt de enige manier om aan te takken in de Marokkaanse gemeenschap het aantrekken van medewerkers uit deze achterban. Zo wordt Abdou El Khattabi als jongerenwerker aangetrokken door het JIB en zal de politie zich via voorpostambtenaar Jan Beerenhout in 1994 nadrukkelijk tot de Marokkaanse Raad wenden voor de invulling van vacature criminaliteits preventiewerker.

Inmiddels heeft het stadsdeelbestuur een plan ontwikkeld voor een veilige Indische Buurt: Veiligheid Voorop. Onderdeel van dit plan is het oprichten van een team bestaande uit jongeren uit de buurt. Het inzetten van (potentieel criminele) jongeren, aldus  het plan, op plaatsen waar veel jeugd rondhangt lijkt een prima manier om overlast en criminaliteit terug te dringen. Dit wordt het zogenaamde PEP-team: het Pleinen- en Parkenteam. Er is veel animo voor deelname, dat geen specifiek etnische inkleuring kent.

Dat het met de jeugd inderdaad uit de hand loopt, blijkt ook uit een artikel uit de Tong Tong van november 1994 over overlast in de Tidorestraat.

In de zomermaanden hebben zich verschillende incidenten voorgedaan tussen de bewoners van de Tidorestraat en groepen jeugd. Een dieptepunt was de aanval op een gerespecteerde man voor zijn eigen huis. “Een groep kinderen van een jaar of acht kwam naar me toe,” zegt het slachtoffer, “ze begonnen een beetje te jennen en te zeuren, toen ik me omdraaide begonnen ze te schoppen en te spuwen.” Hij heeft er nu genoeg van en verlaat de buurt, weggepest door kinderen. “Ze hebben voor niemand respect. Ik heb geen kinderen, maar zo zou ik ze niet willen hebben ook”. Zijn huis grenst aan speeltuin Batavia. “Overdag werk ik en daarna wil ik rust. Maar die kan ik thuis niet vinden want er klimmen steeds kinderen over de daken die zich met alles bemoeien. Het is voortdurend van: meneer wat kook je, meneer wat lees je, meneer wat drink je? Meneer rot op naar binnen!” Hij heeft na de schop- en spuugpartij gesproken met ouders: “Die hebben wel hun excuses aangeboden maar de maat is voor mij vol.” […] Hoewel het bij het incident met de straatbewoner nog om kinderen ging, erkent de coordinator van het jongerenwerk in de Indische buurt, Annelieke ter Heege, dat er ook problemen zijn met oudere tieners. Het gaat volgens haar om een onhanteerbare groep van ongeveer vijftig jongeren die de omgeving van de speeltuin als ontmoetingsplek hebben gekozen.

Paard van Troje

Alhoewel de verhoudingen in de Indische Buurt gespannen zijn en er nog te weinig vruchten geplukt worden van de oplopende inzet van de PvdA om integratie van migranten te bevorderen, komt halverwege de jaren negentig een vrouw in beeld die in zichzelf een aantal kwaliteiten verenigt die haar een droomkandidaat maken voor een politieke rol in Stadsdeel Zeeburg. Dat is Fatima Elatik (1973), die vanaf 1998 in de stadsdeelraad plaatsneemt voor de PvdA. De aantrekkelijke Elatik is direct al populair in de media als rolmodel, omdat ze zich enerzijds nadrukkelijk als islamitische vrouw – met een hoofddoekje – en ook wel als Marokkaanse profileert en anderzijds een echte Amsterdamse is met het hart op de tong. Verder voert Elatik een helder emanciperend programma.

Een onmogelijke combinatie? Dat lijkt in eerste instantie niet het geval. Zelfs de conservatieve Marokkaanse achterban lijkt de politica grotendeels te accepteren als zegspersoon voor de groep. Elatik komt in december 2000 echter in de brugfunctie die ze nadrukkelijk zoekt in de problemen wanneer ze in de Volkskrant het wegens protesten van moslims aflasten van een toneelstuk over Mohammed niet onwelwillend bespreekt. Ook geeft ze in het artikel aan dat de vrijheid van meningsuiting in Nederland te ver is doorgeschoten en verwijst hierbij met name naar Theo van Gogh, die er dan inmiddels al tientallen jaren een sport van heeft gemaakt op zo grof mogelijke wijze met name religieuze gevoeligheden op de korrel te nemen en daarvoor dan ook regelmatig door diverse media ontslagen wordt.

Het is een moedige en bovendien uitdagende daad van de jonge Elatik om in het openbaar kritiek op van Gogh te hebben en deze reageert dan ook direct met onder andere een aan de Amsterdamse raadsfractie van de PvdA. gerichte brief over het islamitisch ‘Paard van Troje’ dat de PvdA. met Elatik zou hebben binnengehaald. De PvdA-fractie komt hiermee in een lastige positie. Uiteraard keurt de partij het uitoefenen van druk om toneelvoorstellingen af te doen gelasten sterk af, maar onderschrijft de opvattingen van Elatik betreffend onnodig kwetsen. Van Gogh neemt daar geen genoegen mee. Gelovigen kwetsen is juist het gebruik maken van diezelfde vrijheid van meningsuiting. Het gaat niet aan die te beperken vanwege reactionaire achterlijke opvattingen. Van Gogh begint Elatik inmiddels als ‘troetel Marokkaanse’ te beschrijven.

De Amsterdamse P.v.d.A.-fractie voelt aan dat Van Gogh inderdaad een punt heeft en fractievoorzitter Irik laat Van Gogh nadrukkelijk weten dat de unanieme P.v.d.A.-fractie vrijheid van meningsuiting als belangrijk grondrecht van de Nederlandse samenleving ziet. Van Gogh ruikt nu bloed, en reageert venijnig met gebruik van onder andere de volgende zinsneden:

En wat moet ik met een PvdA die voorstanders van censuur en niet-opvoering van toneelstukken in haar fractie tolereert, terwijl u naar eigen zeggen ‘unaniem’ van mening bent dat toneelstukken moeten kunnen worden opgevoerd? En waarom biedt Elatik dan niet in het openbaar haar verontschuldiging aan voor uitspraken die in een democratische partij niet thuishoren? De SA marcheert weer, ditmaal gehuld in sluiers, want ondertussen gaat dat toneelstuk, in de door de regisseur bedoelde vorm, niet door. En staat u namens de PvdA applaudiserend aan de kant.

De affaire heeft inmiddels ook de aandacht getrokken van publicist Mohammed Benzakour, die in februari 2001 in de Volkskrant nu op meer esthetische gronden het betwiste toneelstuk probeert af te schrijven. Het toneelstuk van Gerrit Timmers vergelijkend met een islamitische film over het leven van Mohammed, schrijft hij:

Om Aïsja – Mohammeds oogappeltje, in wier schoot hij zijn laatste adem uitblies – jengelend, kreunend en heupzwaaiend ten tonele op te voeren, oog in oog met het lodderige publiek, is weinig spannend, flauw zelfs. Het was boeiender geweest als Timmer Al-Rissala had bestudeerd, en zich had verdiept in de Oriëntaalse (liefdes)poëzie en podiumkunsten.

De reactie van Van Gogh laat zich raden. De aflasting van het toneelstuk heeft wel degelijk plaatsgevonden op basis van bedreiging uit islamitische kring wegens het op het podium vertonen van de vrouw van Mohammed, en niet op esthetische gronden. De zo essentiële Nederlandse vrijheid van meningsuiting is in het geding en wordt bedreigd door de islam.

Benzakour maakt duidelijk wat vrije mensen te verwachten hebben van vrouwenliefhebbers van zijn slag: totale onderwerping. Er was een tijd dat de islam veel verdraagzamer was dan het christendom. Jammer genoeg is dat lang geleden. Keer op keer blijkt dat de gecompliceerde tolerantie die het Westen in ieder geval in naam predikt, al te moeilijk is om mee te leven voor de agressieve achterlijken van Allah. In Marokko tiert de vrije meningsuiting tierig in de kerkers van de koning. Geen wonder dat Benzakour met geen woord rept over mijn recht als Nederlander om de voorstellingen van Timmer te zien. Ik ben een tweederangs burger geworden in eigen land.

Interculturaliteit

De Indische Buurt, waarvoor in 1998 zojuist een nieuw stadsdeelbestuur is geinstalleerd onder voorzitterschap van nieuweling Tjeerd Herrema (P.v.d.A.) is inmiddels landelijk als achterstandsgebied bestempeld. In dat kader bezoekt stedelijk wethouder Van der Aa de wijk, daartoe uitgenodigd door welzijnswerker en buurtactivist Jan Vermij, die zojuist met zijn Buurt Aktie Partij zitting in de stadsdeelraad genomen heeft. Vermij is vooral in de politiek terechtgekomen na zijn succesvolle interventie in 1995 om het op sluiten staande buurthuis Karrewiel alsnog open te houden. Een andere nieuwe partij is Lokaal Belang Zeeburg, van de uit de P.v.d.A. getreden Mustafa Ustalar, die ondersteund wordt door een aantal buurtactivisten waaronder Ron Haleber en Martin van Etten. Nieuwe stadsdeelbestuurder voor Welzijn wordt Necip Can van GroenLinks.

Wat betreft migranten betreft blijft het beleid van het stadsdeel in deze periode het mixen van de bevolking tot een interculturele groep. In die lijn ligt ook de oprichting van een nieuwe basisschool op interculturele basis, Senang genaamd. Interculturaliteit is een doelstelling die door een steeds bredere meerderheid in de stadsdeelraad gedragen wordt. Maar steeds duidelijker wordt dat lang niet alle culturele groepen in de buurt zo’n behoefte hebben aan interculturaliteit. Uiteraard is interculturaliteit dodelijk voor onder andere zelforganisaties die hun bestaansrecht ontlenen aan het koesteren van monoculturaliteit. Deze organisaties zullen in deze periode veel van zich laten horen. Daarnaast zijn er groepen in de Indische Buurt waarmee de stadsdeeloverheid helemaal geen binding heeft en die zich ook niet door zelforganisaties laat vertegenwoordigen. Dit is met name de grote Marokkaanse groep rond Nasr Moskee en islamitische El Farouq-school. Deze groep is niet aangetakt bij de Marokkaanse Raad Zeeburg, laat nauwelijks pottenkijkers toe en is er sterk op gericht haar eigen cultuur ook in Nederland te handhaven.

Dat blijkt wel wanneer Amsterdams burgemeester Patijn op 21 december 1998 de Nasr Moskee bezoekt. Een kleine week eerder zijn in de buurt voor de eerste keer rellen uitgebroken bij de arrestatie van twee Marokkaanse jongeren door de politie, die op 20 december herhaald worden na demonstraties tegen de Amerikaanse inval in Irak. Hierbij worden in de Indische Buurt ruiten ingegooid en het politiebureau Baistraat door een groep van ongeveer honderd jongeren geblokkeerd. Patijn blijkt bij het door het bestuur niet optimaal voorbereid bezoek voor een groot deel van de moskeebezoekers niet welkom. Er ontstaat een opgewonden sfeer waarin geschreeuwd, geduwd en getrokken wordt. Terwijl Patijn al spoedig het pand weer verlaat, worden de gevechten binnen voortgezet, waarbij een aanwezige, de 60-jarige heer El Hantali, vanwege een ernstige steekwond naar het OLVG vervoerd moet worden.

Alhoewel het moskeebestuur intern haar best doet snel de rust terug te brengen en geen informatie naar buiten te lekken, lukt dat niet. Ook de dader van een tweede steekpartij die enige later plaatsvindt wordt niet bekend, maar wanneer een aantal jongeren met een honkbalknuppel een bestuurslid afranselen, grijpt de politie, die zich al enige dagen rond het gebedshuis gepositioneerd heeft, in. Er volgt een scheuring in de moskee, waarbij een grote groep moskeegangers onder leiding van voorzitter van het KMAN en buurtjongerenwerker Abdou El Khattabi zich elders in de buurt gaat organiseren. Hier zal op termijn de Al Karama moskee voortkomen, die vandaag de dag juist aan de andere kant van het spoor, in de oude school in de Ponatanusstraat te vinden is. Het is niet helemaal duidelijk wat de dieper liggende oorzaak van de splitsing is, maar het rommelt al een tijdje in de moskee. Het al lang zittende bestuur biedt volgens sommigen te weinig ruimte voor vernieuwing. Ook spelen tegenstellingen tussen Arabische en Berbercultuur een rol.

De verhoudingen tussen islamieten en niet-islamieten staan in Nederland inmiddels op scherp. Pim Fortuyn heeft zojuist zijn Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament gepubliceerd en is het gesprek van de dag. De islamitische en met name de Marokkaanse bevolkingsgroep zitten in het verdomhoekje. Dat is ook de opvatting van de Werkgroep Marokkaanse Amsterdammers van het KMAN, dat naar aanleiding van de rellen in Slotervaart en de Indische Buurt een onderzoek publiceert, Reactie op de rapportage n.a.v. de recente ongeregeldhden aangaande Marokkaanse jongeren. Over de Indische Buurt schrijft de werkgroep begin 1999:

De Indische buurt telt zo’n kleine 30.000 inwoners, driekwart deel is migrant. In de sociale kaart die over de buurt bestaat wordt gesproken van ‘een achterstandswijk met al zijn bekende kenmerken’. Relatief slechte huisvesting, ontoereikende gezondheidszorg, een gebrekkig onderwijs-, tewerkstellings-, en vrije-tijdsaanbod blijven niet zonder gevolgen. Zij resulteren in de verdroging van het sociaal netwerk, en liggen aan de basis van onveiligheidsgevoelens, kleine opstandjes, zware rellen en kruimeldiefstal.

[…]

De gebeurtenissen van de afgelopen maanden in de Indische buurt lieten ons zien dat het vertrouwen van de bewoners, met name de etnische minderheden, in het functioneren van het politieapparaat zich in een dieptepunt bevindt. Er zijn een aantal voorbeelden te noemen waaruit blijkt dat het politieapparaat met name op een stigmatiserende wijze jongeren benadert. Zo benadrukt een politieagent van bureau Balistraat tegenover een aantal onderzoekers, die de criminaliteit onder de Marokkaanse jongeren in Zeeburg onderzocht, dat de Marokkaanse jongeren in de buurt systematisch en zonder enkele reden in de gaten worden gehouden […]. Letterlijk vertelde hij dat:

“Een Marokkaanse jongen op een nieuwe scooter is voor mij altijd verdacht. Ik zal hem nauwlettend in de gaten houden en kijken of die scooter niet gestolen is. Dat is helemaal geen discriminatie maar professionele wantrouwendheid. Het is in deze buurt nu eenmaal zo dat de meeste scooters door Marokkanen gestolen worden.”

Wil het politieapparaat in de Indische buurt haar imago bij Marokkaanse jongeren verbeteren dan moet deze haar stigmatiserende aanpak heroverwegen, haar ivoren toren verlaten richting de buurt, haar anonieme masker afnemen en zich kenbaar maken via deelneming aan concrete buurtgerichte projecten, waarbij twee doelstellingen centraal dienen te staan. Ten eerste moeten deze projecten het vertrouwen van de bewoners in het justitiële apparaat herstellen. Daartoe moeten buurtbewoners beter geïnformeerd worden over het functioneren van justitie en er op een eenvoudige, doorzichtige manier toegang tot verkrijgen. De tweede doelstelling, die trouwens ten dele verbonden is met de eerste is dat de bijdrage van het politieapparaat in die project een essentiële bijdrage dient te leveren aan het herstel van het relationele netwerk in de buurt. Preventie van criminaliteit betekent in eerste instantie werken aan de kwaliteit van de sociale netwerken waarin mensen leven. De buurt is een uitgelezen plaats om mensen weer dichter en zinvoller bij elkaar te brengen.

In een hoofdredactioneel stuk onderschrijft de Tong Tong van februari 1999 deze visie grotendeels.

Na de rellen van december denkt iedereen dat ie weet hoe het zit. De Marokkaanse cultuur is de oorzaak. De Marokkanen moeten het maar oplossen. Dat is de trend die de pers in het algemeen zet. Hoezo eigenlijk? Hebben die Marokkaanse jonge relschoppers niet voor het overgrote deel de Nederlandse nationaliteit? Is de oorzaak niet gewoon dat de overheid een hoeveelheid jonge mensen aan de kant laat staan? En zijn dat niet zowel witte Nederlandse jongeren als jongeren met Marokkaanse afkomst? Moet de zogenaamde tolerantie van de Nederlandse samenleving niet nodig naar het land der fabelen worden verwezen? […] Dat soort discriminatie […] wordt steeds versterkt door de media die steeds maar moet vermelden dat de relschoppers van Marokkaanse afkomst zijn.

Ook burgemeester Patijn krijgt er van langs in de Tong Tong vanwege zijn bezoek aan de Nasr Moskee.

Als Patijn burgemeester van Urk was zou hij dan de Urker jongelui vermanend toespreken in de Urker gereformeerde kerk?

In de in allerhaast georganiseerde ontmoetingsbijeenkomst in ’t Karrewiel tussen de politie, een aantal instellingen en Marokkaanse buurtbewoners komen de grieven van de laatsten op tafel. De politie arresteert op anonieme telefoontjes en op straat bij willekeur jonge Marokkanen. Dat wekt irritatie. Van de kant van de politie wordt er op gewezen dat de Marokkaanse gemeenschap realistisch moet zijn over de jongeren die in de fout gaan en dat de aanpak van werkloosheid en schooluitval onder Marokkaanse jongeren van cruciaal belang is. Daarbij wordt volgens de politie de criminaliteit (mede) veroorzaakt door de sociale problemen van de gemeenschap. Marokkaanse ouders zouden hun rol  meer moeten pakken, maar daarin ook veel beter ondersteund moeten worden.

De bijeenkomst haalt de kou wat uit de lucht, maar tot meer concrete oplossingen komt men niet. De politie wijst nadrukkelijk naar de ouders. Die laatsten beroepen zich echter op hun onmacht. Het lijkt een patstelling.

Scheiding van kerk en staat

Terwijl het stadsdeelbestuur ook in 1999 zijn interculturele koers voortzet, zetten met name Turkse en Marokkaanse zelforganisaties alles op alles om zich monocultureel te kunnen blijven organiseren. Voor de Turken is daarbij de Ulu Camii Moskee op de Zeeburgerdijk van groot belang. Deze weet niet alleen haar jongeren via eigen organisaties en min of meer zonder afhankelijkheid van subsidie in het gareel te houden, maar speelt ook een eigen rol in de Zeeburgse politiek, door het massaal steunen van Turkse politieke kandidaten, zoals bijvoorbeeld Mustafa Ustalar van Lokaal Belang Zeeburg en bij de verkiezingen van 2002 twee zich bij de VVD aansluitende kandidaten. Ook worden al sinds 1993 door de Turkse gemeenschap vriendschapsreizen naar Turkije georganiseerd, waaraan de Zeeburgse politie en ook Zeeburgse politici deelnemen.

De Turkse gemeenschap is echter niet onbesproken. Al in de eerste helft van de jaren negentig doen hardnekkige geruchten de ronde dat de Ulu Camii moskee aan de Zeeburgerdijk in feite een bolwerk van de Turks-nationalistische organisatie Grijze Wolven is. Dat is ook niet verwonderlijk, aangezien zelfs een betonnen afbeelding van dit dier in de moskeetuin een de Zeeburgerdijk te bewonderen is. De moskee intussen ontkent de geruchten. Spectaculairder wordt een en ander wanneer Mustafa Ustalar, op dat moment nog lid van het Zeeburgs stadsdeelbestuur van de PvdA, in de in 1997 uitkomende onderzoeksrapportage Grijze Wolven. Op zoek naar extreem rechts van Stella Braam beschuldigd wordt Grijze Wolf te zijn. Alhoewel Ustalar en PvdA Zeeburg hier ten zeerste tegen protesteren en het blazoen van Ustalar na korte tijd volledig gezuiverd wordt, blijven geruchten over Turkse fascisme rond de Ulu Camii aanhouden. Daarnaast komt de moskee zeer ongunstig in het nieuws vanwege een politieinval in 2000, waartegen door veel Turkse buurtbewoners maar ook Nederlandse sympathisanten sterk geprotesteerd wordt.

De Marokaanse Nasr Moskee is op haar beurt veel minder tot niet op de buitenwereld geörienteerd en richt zich vooral op religieuze aangelegenheden. De moskee kent relatief veel aanhangers die zich verbonden voelen met de missionaire sunnitische beweging Djamaat al-Tablir wa Dawa. Die probeert afdwalende jongeren terug te brengen op het rechte pad door hen op te zoeken in coffeeshops, op hun gedrag te wijzen en over te halen terug te keren naar het geloof. De voertaal is er Arabisch, vijfmaal per dag kan er gebeden worden, vrijdag is de samenkomst met preek en in het weekend wordt aan de jeugd Arabisch en koranles gegeven. Het bestuur van de Nasr Moskee, dat al een zeer lange staat van dienst heeft, wil vooral door de buitenwereld met rust worden gelaten, zich baserend op de scheiding van kerk en staat. Dat is echter nog niet zo gemakkelijk, omdat de overheid de moskee als bijna enige ingang ziet tot een grote groep Marokkaanse buurtbewoners waarmee op geen enkele andere manier contact gekregen kan worden.

Mede naar aanleiding van de moeilijkheden rond het bezoek van burgemeester Patijn probeert de Nasr Moskee wat meer openheid naar de buurt te betrachten en brengt ook wat brochures in het Nederlands uit. De moskee kent in deze periode een dagelijks bezoek van 250  tot 300 gelovigen, terwijl het vrijdaggebed, tijdens Ramadan en tijdes de feestdagen maar door liefst 1.300 gelovigen bezocht wordt. Doelstellingen, aldus de folder, zijn

  • Het instandhouden van Moskee Nasr
  • Het geven van godsdienst onderwijs als mede het geven van onderwijs in eigen taal en cultuur
  • Het dienen van alle moslims bij voorkomende problemen op religieus en maatschappelijk gebied
  • Het bevorderen van de ontplooiing, emancipatie en participatie van moslims in de Nederlandse samenleving
  • Het naar voren brengen van de reële islamitische beschaving als wereldreligie

Dit duidelijke programma – punten 4 en 5 dienen uiteraard in samenhangend verband gelezen te worden – dient met name door voorlichting verwezenlijkt te worden. De brochure eindigt met een Tenslotte:

Gezien de verantwoordelijkheid van de stichting voor de realisatie van haar doelstellingen, vragen wij hiervoor ondersteuning en hulp van de barmhartige, moge Allah onze daden zegenen en alle lof zij Allah de Heer der werelden.

Speciaal voor buurtbewoners stelt voorzitter Ali En Boukziri ook nog – samen met mensen van Djamaat al-Tablir wa Dawa – een in het Nederlands vertaald boekwerkje ter beschikking, Islam de religie van ALLAH onze Heer voor de mensheid. Een samenvatting van enkele aspecten (onderdelen) van de Islamitische levenswijze, waarin in een achttal pagina’s de leer van de islam wordt uitgelegd.

Het is een duidelijk verhaal al met al, van een moskee die zich uitsluitend met de islam en – behalve in evangeliserende zin – niet met de seculiere buurt wil bezighouden. Voor de Zeeburgse overheid valt dat niet zonder meer mee. Die is vooral op zoek naar een partner om de uit de hand lopende verhouding met met name de Marokkaanse jongeren op te lossen en weet dat vooralsnog niet te bereiken via de zelforganisaties, die ze bovendien zelf niet langer subsidieert en in feite wil ontmoedigen. De zelforganisaties kijken daar uiteraard heel anders tegenaan. Het lijkt trouwens wel of er daar steeds meer komen. Met name de Turkse en Marokkaanse gemeenschap geven zich niet niet gewonnen.

Mukhtar M/V

Stadsdeel Zeeburg blijft worstelen met de subsidiëring van zelforganisaties. In 1999 wordt het beperkt budget voor deze organisaties weliswaar licht verhoogd, maar toch zeer onvoldoende, volgens onder andere het sinds september 1996 bestaande Marokkaans Platform van buurtbewoners en buurtgroepen. In deze alliantie onder leiding van Mustapha Aljedyan zitten o.a. het Marokkaanse Oudercomité en het Marokkaans Vrouwencomité (R. Elmair). Het Marokkaans Platform is ontevreden met de nieuwe wethouder van GroenLinks, Necip Can. Can, die het vanwege zijn Turks-alevitische afkomst het ook niet goed doet bij de Soenieten van de Ulu Camii Moskee, dreigt een gebeten hond in migrantenkringen te worden.

Interculturele successen daarentegen vinden ook plaats. Zo vieren en organiseren Marokkaanse en Turkse ouders eind 1999 gezamenlijk de Ramadan in de J.P. Coenschool, die zich in de loop der jaren onder coördinatorschap van Mustapha Kaddari tot een steeds succesvollere mix van nationaliteiten ontwikkelt. Ook start pastor Leo Nederstigt van de Rooms Katholieke Gerardus Majellakerk in deze periode een brede gespreksreeks over de multiculturele samenleving. Als deelnemers worden gevraagd de Nasr Moskee, Turkse (mannen)organisaties, de Marokkaanse Raad en Jongerenontmoetingscentrum Gunes. Bedoeling is dat onder leiding van vijf parochiale vrijwilligers de groepen informatie gaan uitwisselen op sociaal, cultureel en religieus gebied. Het Flevohuis, MDSO en Stichting Wijzer organiseren op hun project Gescheiden verleden, gedeeld heden, waarin Creoolse, Hindoestaanse, Marokkaanse, Turkse en Nederlandse buurtbewoners hun verhalen met elkaar gaan delen.

De misdaad in de buurt tiert jammer genoeg weliger dan ooit, ook vanwege doorgaande overlast van heroïneverslaafden. Zo wordt in april 2000 Recep Uzer bij een roofmoord op straat doodgestoken, wat tot een massaal bijgewoonde stille tocht van buurtbewoners tegen zinloos geweld leidt. Vanwege de vele gevallen van ondragelijke overlast van buren en buurtbewoners wordt het Meldpunt extreme overlast Zeeburg ingericht. Ook de vervuiling neemt in deze periode voortdurend toe. In dat kader doet een aantal Turkse en Marokkaanse zelforganisaties rond Ulu Camii, het Marokkaans Platform en Vereniging Assadaaka een projectvoorstel Mukhtar M/V, ondersteund door welzijnsorganisatie MDSO en het Wijkopbouworgaan. De gedachte is dat het buurtbeheer opgepakt zou kunnen worden door het aanwijzen van een zogenaamde Mukhtar (‘dorpshoofd’) voor iedere cultureel-etnische organisatie. De samenwerkende dorpshoofden zijn samen beter in staat allochtone buurtbewoners op buurtbeheer aan te spreken dan de stadsdeeloverheid. Het project zal door het stadsdeel gehonoreerd worden.

In juni 2000 ontstaan nieuwe onenigheden over het migrantenbudget, dat in de ogen van de zelforganisaties steeds meer aan interculturele projecten besteed wordt, zo luidt het in een protestbrief van ustapha Aljedyan namens de samenwerkende organisaties.

De migrantenorganisaties vinden dat het reserve allochtonenbudget goed benut moet worden en ruim geïnvesteerd moet worden op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling en participatie van de migranten in Zeeburg. Wij denken bijvoorbeeld aan o.a. analfabetisme bestrijding, kadertraining, organisatiekosten migrantenorganisaties, onverwachte bestedingen etc… Daarom vinden wij dat een reserve allochtonenbudget in de richting van maatschappelijke participatie ten behoeve van migranten & hun organisaties besteed dient te worden. […] Wij hebben onlangs ook wethouder N. Can erop geattendeerd dat de humanitaire hulp [in verband met aaardbevingen] naar Turkije niet ten koste dienen te gaan uit het reserve allochtonenbudget.

Op deze manier heeft het migrantenoverleg ook geen enkele zin, vinden de organisaties. De Zeeburgse overheid is echter niet van plan te wijken en zet haar interculturale beleid vol door. Ondanks de zelforganisaties en ondanks het feit dat stichting Welzijn Zeeburg, waarin de diverse welzijnsfuncties in de Indische Buurt inmiddels zijn gebundeld, op springen staat. En ondanks de explosie van ongenoegen rond intercultureel buurtcentrum ’t Karrewiel, waar jongeren van verschillende nationaliteit elkaar op hetzelfde ogenblik de tent aan het uitvechten zijn.

Berlageblokken

De kwestie Berlageblokken vormt de culminatie van de strijd tussen het welzijnswerk en Stadsdeel Zeeburg. Terwijl vanwege stadsvernieuwing het stadsdeelbestuur de verouderde en lelijke blokken wil laten slopen om zo het Javaplein een nieuw aanzicht te geven, heeft het Wijkopbouworgaan zich op haar beurt juist vastgebeten in het behoud van de blokken en zal er uiteindelijk via de rechter in slagen een sloopverbod af te dwingen van de al geruime tijd door Oosteuropese krakers bezette panden. De samenwerking tussen stadsdeelorganisatie en welzijnswerk heeft een absoluut dieptepunt bereikt en het stadsdeel zoekt naar een manier om van het welzijnswerk af te komen. Daarom wordt er opdracht aan het Verwey-Jonker Instituur gegeven om een onderzoek te doen naar nieuwe kansen en mogelijkheden voor het opbouwwerk in Zeeburg in het zojuist gestarte nieuwe millennium.

Het instituut komt op 22 december 2000 met een grondige analyse van de bestaande situatie, waaruit blijkt dat sinds de instelling van het Stadsdeel in 1990 sprake is van een groeiend wederzijds wantrouwen.

Het stadsdeelbestuur, de politici en ambtenaren moesten veel tijd uittrekken voor het maken van beleidsplannen en de opbouw van het ambtelijk apparaat. Men kwam minder toe aan het contact met de burger. De wijkopbouworganen op hun beurt moesten eraan wennen dat zij niet meer de enigen waren die kennis over de buurt hadden. De stadsdeelbestuurders wisten ook wat er in de buurt speelde en dat gold dan met name voor de Indische Buurt.

De medewerkers van het wijkopbouworgaan in de Indische Buurt vervulden in de beleving van het stadsdeel de rol van gesubsidieerde actievoerders. In de ogen van ‘het wijkopbouwwerk’ bestond een deel van de stadsdeelraad uit overlopers naar de politiek. Hoe kon zo’n situatie ontstaan?

Het opbouwwerk in de Indische Buurt heeft het in de beginjaren van het stadsdeel om verschillende redenen moeilijk gehad:

  • Een belangrijk deel van ‘het kader’ vertrok van het opbouwwerk naar het stadsdeel. In de eerste periode leverde het wijkopbouworgaan maar liefst twee van de vier wijkwethouders en enkele raadsleden. Dit betekende een behoorlijke aderlating voor het wijkopbouworgaan en tijd om te bezinnen was er niet of werd niet genomen.
  • De kaderleden die in politieke functies terecht waren gekomen, handelden vanuit dezelfde inspiratie als waarmee ze vroeger bij het wijkopbouworgaan actief waren. Deze veranderingen leidden tot ietwat ongemakkelijke verhoudingen.
  • In de eerste periode kende het opbouwwerk een explosieve groei. De vertrokken kaderleden verloochenden hun oude passie niet. In de Indische Buurt werd het opbouwwerk uitgebreid met tijdelijk twee maal twintig  formatie-uren, geoormerkt voor ‘sociale vernieuwing’ en ‘migrantenondersteuning’. Helaas werden er onvoldoende kaders gecreëerd, waarin deze uitbreiding zou kunnen gedijen. Over het fenomeen van tijdelijkheid was onvoldoende duidelijkheid. Raadsleden werden zich na enige tijd bewust van deze situatie.
  • De tijdelijke inzet van het opbouwwerk werd uiteindelijk omgezet in structureel, maar ging vergezeld van een forse bezuinigingsopdracht. Het bestuur van het wijkopbouworgaan Indische Buurt had moeite met de politieke opdracht om 60 uur opbouwwerk te leveren met het gegeven budget. De uren waren geoormerkt.
  • Het oude kader dat nu in de politiek zat, raakte teleurgesteld door de houding van de mensen in het wijkopbouworgaan. De mensen in het wijkopbouworgaan raakten teleurgesteld in de politiek.

 

Kortom, de noodzakelijke taakafbakening tussen welzijnswerk en politiek werd lange tijd onvoldoende uitgewerkt in het Stadsdeel. Daarbij was het onvoldoende duidelijk wat nu exact de taak van het opbouwwerk was. Wel is het zo, aldus het rapport, dat het welzijnswerk zich er in de loop van de tijd op heeft toegelegd te depolitiseren.  In feite is de boodschap van het Verwey-Jonker Instituur dat zowel de stadsdeelorganisatie als het opbouwwerk zich niet professioneel genoeg gedragen hebben: het stadsdeel door de opdracht niet voldoende af te bakenen, en het opbouwwerk door zich te politiek te bemoeien.

Dieper ligt de frustratie van het opbouwwerk, aldus het rapport, dat politici en stadsdeel zich nauwelijks op straat lieten zien, zodat het opbouwwerk zich wel genoodzaakt zag om voor de burgerbelangen op te komen. Deze situatie heeft uiteindelijk tot verzuring geleid, waardoor het opbouwwerk zich meer tegen de stadsdeelorganisatie af ging zetten dan nog met nieuwe plannen te komen en nieuwe ontwikkelingen te volgen. De tegelijkertijd structureel afnemende subsidie (een kleine fl. 700.000 voor het jaar 2001) heeft daarbij uiteindelijk tot een toestand van stuurloosheid en stilstand geleid, waardoor het opbouwwerk in het jaar 2000 gekenmerkt wordt volgens de onderzoekers. Er worden enige aanbevelingen gedaan voor mogelijke toekomsten, waarbij een verdergaande samenwerking met het in Stadsdeel Oost Watergraafsmeer actieve MDSO tot de mogelijkheden behoort.

Inmiddels is in de Indische Buurt een nieuwe rel ontstaan rond multiculturele jongerenruimte ’t Karrewiel. Er is ernstige onenigheid ontstaan tussen de diverse groepen, waarbij met name de Marokkaanse groep weigert een plan van aanpak te ondertekenen waarin het gebruik van de multiculturele ruimte wordt geregeld. Een en ander leidt ertoe dat de Marokkaanse groep, inmiddels in de vorm van Stichting Nachiel met als woordvoerder Abderrahim Karam, de ruimte verlaat en gebouwtje het Ankeroog aan de Zeeburgerdijk betrekt. De ontwikkeling, die door stadsdeel Zeeburg met de diverse groepen is uit onderhandeld, luidt in de persverklaring van het stadsdeel als volgt:

De afgelopen periode is duidelijk geworden dat het buurtcentrum ’t Karrewiel niet groot genoeg is om alle gebruikersgroepen te herbergen. Door deze situatie is er wrijving ontstaan tussen de gebruikersgroepen en de Stichting Welzijn Zeeburg. Om te werken aan een oplossing van de onstane situatie is het Amsterdams Centrum Buitenlanders verzocht als bemiddelaar op te treden. Uit deze bemiddeling bleek dat de oplossing voor de ontstane situatie niet in het Karrewiel gevonden kan worden. Om uit de ontstane impasse te komen heeft het stadsdeel Zeeburg aan de grootste gebruikersgroep van ’t Karrewiel, de stichting Nachiel, een eigen accomodatie aangeboden. Het betreft hier gebouw het Ankeroog aan de Zeeburgerdijk.

Aan deze beslissing zal stadsdeel Zeeburg weinig plezier beleven. De komende periode zal de organisatie bestormd worden door categorale organisaties die ook een eigen ruimte opeisen. Dat doet het interculturele project voorlopig even geen goed.

Welzijn

Na het Verwey-Jonker rapport is het Stadsdeel eruit. De subsidierelatie met Stichting Welzijn Zeeburg zal per 1 januari 2002 beëindigd worden. Buurtbeheer zal worden ondergebracht bij MDSO. Voor de andere kerntaken zal een inschrijving geregeld worden. Op een vergadering van de wijkraad Indische Buurt op 25 januari 2001 worden door Stichting Welzijn de buurtorganisaties ingelicht. Hieronder zijn van Marokkaanse zijde bij aanwezig Ali Moussa van Stichting Al Rissala, Abdou El Khattabi en dhr. Bacha van de Marokkaanse Raad Zeeburg, Mustapha Aemarouch en Soulaimane Zhiri van Stichting Assanabil, actieve bewoners M. El Hartal en A. Chouhaiba, Ahmed El Mesri van Vereniging Assadaaka en Abdella Ekourai van Stichting Marokkaanse Onderwijs. Er heerst een verslagen stemming en de meningen zijn verdeeld. Er lijkt weinig meer aan te doen.

Wethouder Necip Can zet nu door en is van plan ook de migrantenorganisaties aan te pakken. Buurtactivist en internetjournalist Martin van Etten (Zeeburgnieuws) wordt ondanks protesten voortaan geweerd van de vergaderingen van het migrantenoverleg Zeeburg en in juni 2001 verschijnt een evaluatie van Can van de samenwerking sinds september 1999. Uitkomst is dat dit overleg voortgezet dient te worden, maar met meer ambtelijke ondersteuning, terwijl ook een budget ter beschikking moet worden gesteld. Daarbij zou het beter zijn de agenda niet alleen door het Stadsdeel, maar ook door de migrantenorganisaties te laten vaststellen.

Can weet waar hij het over heeft, want het Stadsdeel dreigt inmiddels de verbinding met de migrantenorganisaties te verliezen. De afgelopen jaar zijn er een hoop bijgekomen, bijna allemaal Marokkaans of Turks en vaak een afsplitsing van de al bestaande organisaties. Daarom organiseert het Stadsdeel op 4 september 2001 een aantal ronde tafeldiscussies, waarvoor alle bekende zelforganisaties worden uitgenodigd. Het gaat in deze discussies om de rol van de zelforganisaties in het sociaal domein en tevens om het leren kennen van elkaar. Aan de hand van de discussies zal een discussienota worden opgesteld door begeleidend bureau Van de Bunt, dat uiteindelijk tot een Buurtdebat moet leiden, leidend tot een eindrapportage met een samenvattende conclusie en aanbevelingen. De tafeldiscussies worden begeleid door onder andere Mellouki Cadat (KMAN/GroenLinks) en Firouz Azarhoosh (beiden in de rol van ‘deskundig buurtbewoner’) en welzijnswethouder Necip Can zelf.

Deelnemers aan de discussie zijn van Marokkaanse zijde Mustapha Aljedyan van het Marokkaans Platform Zeeburg, H. Brahim van Stichting Nachiel, Abdoelhadi, A. Akurai en Tanana van SMO, M. Ali van Al Rissala, Mustapha Aemarouch en M. El Bacha van Stichting Assanabil (Arabische taalles voor kinderen), Abdou El Khattabi van de Marokkaanse Raad Zeeburg en de Al Karama Moskee, H. El Khattabi, M. Zarzik en N. El Bacha van Al Khansae (vrouwengroep), R. El Manir, Rachida en Kadija van MVC, en Ahmed El Mesri van Assadaaka. In feite vindt de conferentie met een vooropgezet doel plaats en is het de bedoeling de deelnemers in meerderheid te doen instemmen met een aantal voorgelegde stellingen. Die hebben met name betrekking op de rol en rechten van de zelforganisatie: aanvullend maar niet vervangend ten opzichte van het welzijnswerk, zonder claim op een eigen ruimte, meer ondersteuning voor educatieve dan voor recreatieve doelen en beheer van welzijnsaccomodaties niet door zelforganisaties maar door professionele organisaties.

In het verslaggevend rapport, dat de instemming van deelnemers op grote lijnen omvat, doet Bureau Van de Bunt verder de aanbeveling om voor het toekennen van een ruimte, de zogenaamde ‘basisvoorzieningen’ aan zelforganisaties heldere en toetsbare criteria te stellen. Hetzelfde geldt voor toekenning van extra faciliteiten. Verder zou er een centrale programmeringsraad ingericht kunnen worden waarin zowel vertegenwoordigers van zelforganisaties zitten als welzijnwerkers en buurtbewoners. Tenslotte zou per buurthuis een buurthuiscommissie ingesteld kunnen worden waarin vertegenwoordigers van zelforganisaties en de beherende instelling.

Al met al zaken die in de loop van de komende jaren zullen worden uitgewerkt. Er is bij de gemiddelde buurtgenoot op dat moment maar bijzonder weinig belangstelling voor. Op 11 september 2001 hebben zich enige vliegtuigen in het WTC geboord. Alles wijst er op dat er hier sprake is van een islamitische aanslag. Bijzonder pijnlijk is dat een groot deel van de Marokkaanse gemeenschap deze aanslag als een passende terechtwijzing voor de Amerikanen ervaart. Er zijn zelfs jongeren die toeterend de straat rondrijden. Dit komt de verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen niet ten goede. Ook niet in de Indische Buurt.

11 september 2001

De reacties op de aanslagen van 11 september 2001 verbazen veel Nederlanders, maar niet publicist en buurtactivist Ron Haleber. Haleber, eindredacteur van de in 1989 naar aanleiding van de fatwa tegen Salman Rushdie verschenen bundel Rushdie Effecten, is in 2001 in de afrondende fase van zijn proefschrift La revolte mondiale contre l’Occident: La jeune elite Maroccaine face au choix entre tradition et modernite, en hij heeft in zijn onderzoek de enorme haat die met name de Marokkaanse universiteitsjeugd in Marokko voor het Westen blijkt te hebben, onderzocht. Haleber maakt zich al jaren zorgen over de gebrekkige integratie, en hij is van opvatting dat er in de Nederlandse samenleving meer ruimte zou moeten worden gecreëerd voor de nieuwe etnische groepen en met name voor de Marokkaanse. Bovendien heeft hij het idee, dat al spoedig door een steeds groter deel van de islamitische gemeenschap aangehangen wordt, dat de aanslagen niet het werk zijn van Osama Bin Laden, maar van de Amerikanen zelf. Haleber voelt zich geroepen in te gaan grijpen.

Een andere buurtgenoot die direct in actie komt na de aanslagen is Ahmed El Mesri van Assadaaka, die op 5 november in de Meevaart samen met Mustapha Aljedyan van het Marokkaans Platform, kerken en nog enige andere partijen een bijeenkomst organiseert onder de titel Indische Buurt: samenleven in een multiculturele wijk na 11 september. Er is bijzonder veel belangstelling en er wordt door vele groepen gediscussieerd over de zo noodzakelijke nadere ontmoeting tussen buurtbewoners. El Mesri, die na een auto-ongeluk eind jaren zeventig definitief in een rolstoel terecht is gekomen, is een rijzende ster in de buurt en onder andere winnaar van de Amsterdamse diversiteitsprijs 2001. Nadat hij in de jaren negentig tot het inzicht is gekomen dat de categorale aanpak de migrant eerder in zijn rol als patiënt handhaaft dan tot daadwerkelijke verbetering van positie leidt, besluit hij zijn vereniging Assadaaka voortaan niet langer Marokkaans te noemen, maar er nadrukkelijk een zich op het algemeen belang richtende welzijnsorganisatie van te maken. El Mesri zet daarbij ook in de Marokkaanse Indische Buurt controversiële onderwerpen op het programma, zoals homosexualiteit en emancipatie van vrouwen.

Ook Rooms Katholiek pastor Leo Nederstigt is zich van de ernst van de situatie bewust en ondersteunt El Mesri na 5 november 2001 in het opzetten van een vervolgprogramma. Dit mondt uit in een drietal buurtbijeenkomsten in de Gerardus Majellakerk op Lombokstraat 2 in maart 2002. De bijeenkomsten worden ditmaal door Ron Haleber en Leo Nederstigt georganiseerd, en gaan met name over het spanningsveld scheiding kerk en staat en het aanmerkelijk verschil in visie op de wereldpolitiek tussen autochtone Nederlanders en migranten van met name Arabische en Aziatische origine. Deelnemers zijn onder andere Fatima Elatik, Mohammed Chami, Tweede Kamerlid Oussama Cherribi en Marokko-researcher Rachid Jamari. De bijeenkomsten kennen weer een grote opkomst. Inmiddels is in Nederland veel commotie ontstaan door een artikel van Pim Fortuyn in de Volkskrant, die de islam als een achterlijke godsdienst bestempelt en in emanciperende zin (met name van vrouwen en homo’s) in wil grijpen in de wijken. Ook een artikel van Hafid Bouazza over het opkomend fundamentalisme geeft uitgebreide stof ter discussie.

Een andere discussie die in maart 2002 speelt is die rond uitlatingen van staatssecretaris Adelmund over het islamitisch onderwijs en met name dat van de islamitische El Faroekschool in de Indische Buurt. Het Initiatief Onderwijs Oost, waarin buurtactievoerder Jan Müter en Mohamed el Bouchaibi, roept onder het motto Islamitische school mikpunt van laster daarom de Stadsdeelraad van Zeeburg op om op te treden en de school te verdedigen. Zoals bekend zal deze oproep niet baten en zal bestuursvoorzitter Chami in 2004  wegens fraude een gevangenisstraf van twee jaar krijgen.

De verkiezingen komen er aan en het lijkt er op dat deze gewonnen gaan worden door volslagen nieuwkomer Pim Fortuyn. Fortuyn weet de gevoelens van een grote groep Nederlanders te treffen die zich uitermate ongelukkig voelen over de ontwikkeling van de multiculturele samenleving. Uit naam van de vooruitgang kondigt de kennelijk aanstaande minister president alvast maatregelen aan die hij zal nemen ter emancipatie van met name islamitische bevolkingsgroepen. Nederland zou trots moeten zijn op de tolerante Nederlandse cultuur, die moeten koesteren en niet toe moeten staan dat ‘de gasten het huis overnemen’. De doorbraak van Fortuyn, die blijkbaar niet door de bestaande progressieve politieke partijen kan worden tegengehouden, baart het KMAN ernstige zorgen. Samen met onder andere de Marokkaanse Raad Zeeburg brengen zij een stemadvies uit waarin de Marokkaanse gemeenschapp nadrukkelijk gevraagd wordt om voor de multiculturele samenleving te kiezen en racistische partijen geen kans te geven.

In tegenstelling tot wat verwacht of gevreesd wordt zal Pim Fortuyn echter geen minister president van Nederland worden, omdat hij op 6 mei 2002 door milieuactivist Volkert van der Graaf wordt vermoord. De verkiezingsdeelname in de Indische Buurt is op 15 mei 2002 een stuk hoger dan eerder. De LPF behaalt 16,2% van de score. Ook Zeeburg heeft een nieuw bestuur, waarin voor de eerste keer een Marokkaanse plaatsneemt: Fatima Elatik voor de PvdA.

De moord op Pim Fortuyn

Fatima Elatik, die aangekondigd heeft op termijn burgemeester van Amsterdam te willen worden, is zeer geliefd in politiek Zeeburg, maar in den lande niet onomstreden. Met name Theo van Gogh houdt het op haar voorzien, met name wanneer zij vlak na de aanslagen van 11 september door burgemeester Cohen geprezen wordt voor haar verzoenend werk achter de schermen. Hij zet ter gelegenheid van de verkiezingen zelfs een nepadvertentie in haar naam, ‘Waarom zou een toneelstuk niet verboden mogen worden?’ en schrijft diverse PvdA-coryfeeën aan in verband met de onmogelijk making van de opvoering van het toneelstuk Aïsja. Elatik op haar beurt probeert in HP/De Tijd haar standpunt toe te lichten:

Ik wil helemaal geen toneelstukken verbieden. Ik heb alleen gezegd dat vrijheid van meningsuiting in Nederland wordt misbruikt. Terwijl in andere landen mensen bij bosjes sterven omdat ze pleiten voor dat recht, vertrappen wij dat hier. Ik heb Theo van Gogh genoemd als voorbeeld van iemand die de meest beledigende dingen kon roepen, puur als amusement. Daarmee misbruikt hij de vrijheid van meningsuiting.

Elatik is als wethouder van Zeeburg vast van plan haar beste beentje voor te zetten om bij te dragen aan de verbetering van de verhoudingen in Zeeburg. Uit een interview in de Tong Tong van zomer 2002:

Ik wil hier in Zeeburg een integraal jeugdbeleid van de grond tillen. Ik wil een optimaal klimaat scheppen voor kinderen om groot te worden. Optimaal kansen en mogelijkheden voor ze bieden. Dat is de taak van de overheid. Daarvoor wil ik me sterk maken. Op vijf terreinen: kind en gezin, kind en vrije tijd, kind en zorg, kind en onderwijs, kind en veiligheid. Ik weet dat het erg ambitieus is. De overheid moet de voorwaarden scheppen. Maar de burgers moeten zich betrokken voelen. Dat wordt nog de grootste opgave. Het weer terugvinden van de sociale cohesie.

Die sociale cohesie is inderdaad behoorlijk zoek. Nederland is volledig van de kaart na de moord op Pim Fortuyn. Alhoewel de moordenaar niet uit islamitische kring komt, is er duidelijk een verband tussen de anti-islamitische uitspraken van de politicus en de moord. Voor veel Nederlanders betekent dit dat ze het als bijna hun autochtone burgerplicht beginnen te zien zich af te zetten tegen de islam. Tegelijk is inmiddels naar aanleiding van enquetes en onderzoeken naar de gevolgen van de aanslag op de Twin Towers, dat de internationale politieke opvattingen van de nieuwkomers op bepaalde punten sterk afwijken van de autochtone Nederlander. Met name de rol van Israël en Amerika in het Midden Oosten wordt totaal verschillend beoordeeld.

Wat er in Nederland in deze periode feite aan de hand is, is dat migrantengroepen na vele jaren lang geïsoleerd geleefd te hebben, zich door de aanslagen in Amerika gesterkt voelen hun afwijkende opinie op diverse zaken in de Nederlandse samenleving nu eens openbaar aan de orde te stellen. Die opinie schokt velen, en met name traditioneel progressieve partijen weten niet goed hoe hier mee om te gaan. Partijen als de LPF en later PVV weten dat wel. Zij wijzen het niet-Nederlandse en in het bijzonder het islamitisch-theocratisch gedachtengoed van een deel van de nieuwkomers nadrukkelijk en steeds luidruchtiger af. Daarbij slaagt men er – in doodsangst – niet in te nuanceren.

Langzaam wordt het weer rustig in de Indische Buurt. De leven neemt weer zijn gewone gang en de diverse zelforganisaties gaan door met het ontplooien van activiteiten. Maar er lijkt een gewapende vrede te heersen, met veel onderhuidse spanningen. De buurt is er na veel investeringen nog steeds niet veel beter op geworden. In zekere zin is 2003 zelfs een dieptepunt, vanwege een groot aantal moorden, meestal drugsgerelateerd. En nog steeds bestaat er overlast van Marokkaanse jongeren, die bij de dodenherdenking in 2003 met eieren gooien, met bloemstukken gooien en structureel overlast bezorgen in de Balistraat. Bovendien blijkt uit een onderzoek van de Commissie van Traa dat een groot deel van de winkels in de Javastraat betrokkenheid met criminaliteit bestaat. Fatima Elatik komt wederom in opspraak omdat ze uit solidariteit met Marokkaanse jongeren in de Mercatorpleinbuurt meeloopt met een demonstratie tegen racistisch politiegeweld nadat een Marokkaanse buurtbewoner door de politie is doodgeschoten. Tijdens de demonstratie richt een 30-tal jongeren vernielingen aan en gooit een groot aantal ruiten in. De bijeenkomst is georganiseerd door het KMAN samen met de internationale socialisten, die op hun beurt met het spandoek ‘Kankerwouten’ rondlopen.

Een deel van het Zeeburgs opbouwwerk in de buurt is inmiddels ondergebracht bij Stichting Opbouwwerk Noord in Zeeburg, een afsplitsing van Opbouwwerk Noord, onder leiding van Bruno van Veen. Stichting Welzijn Zeeburg gaat in april 2003 definitief failliet; de medewerkers worden overgenomen door Stichting Alcides, die ook de overgebleven werkzaamheden van de Stichting overneemt. Dit zal echter niet lang duren, omdat niet lang daarna ook Alcides failliet zal gaan.

Er zijn ook positieve berichten, die betrekking hebben op de doorbraak van Marokkaanse talent uit de Indische Buurt in de muziek- en sportwereld. Ali Bouali (1981), ook bekend als Ali B., wordt weliswaar geboren in Zaanstad, maar brengt een groot deel van zijn jeugd door in de Indische Buurt. Ali B. doet vanaf het jaar 2000 mee aan talentenjachten, maar breekt door in 2002 als hij de finale van de grote prijs van Nederland wint. Succesvol sporter is Nordi El Otmani (The Lion of the Atlas) die traint in de Loods, is de eerste succesvolle kickboxer in de buurt – hij wordt wereldkampioen kickboksen en thaiboksen – maar het meest bekend wordt Badr Hari (1984), die vanaf begin 2005 in het voetlicht treedt en in 2007 in Hawaii de eerste K1 wereldkampioen wordt in de gewichtsklasse tot 100 kilo.

Gevoelens van onveiligheid

Het nieuwe bestuur pakt de zaken voortvarend aan. Halverwege 2003 wordt aangekondigd dat de Indische Buurt wederom op de schop zal gaan, terwijl tegelijkertijd een grootscheepse renovatie in het Noordwestelijk kwadrant zal plaatsvinden in samenwerking met woningbouwvereniging De Dageraad. Het totale project zal zowel een fysieke als een economische en een sociale invalshoek kennen en valt onder de paraplu Grote Steden Beleid. Wethouder Elatik licht in de Tong Tong de plannen toe:

Het sociaal investeringspakket sluit aan bij de renovatie van de woningen door de Dageraad. Wanneer medewerkers van de Dageraad met de gezinnen over de vernieuwing van hun woning spreken, wordt gelijktijdig geïnventariseerd in hoeverre deze gezinnen behoefte hebben aan een aanpak van de problemen die zij ervaren op de terreinen als schuldsanering, onderwijs en werkgelegenheid.

Het is de eerste aanzet tot doorgaande gentrificatie van de buurt, die in de eerste helft van de jaren negentig is ingezet door het gaan bouwen van koophuizen in de buurt.

Op 23 mei 2003, na een dramatisch verlopen 4 mei viering waarin het niet lukt de rondhangende jeugd door middel van optredens en dergelijke rustig te houden en na een islamitisch fundamentalistische aanslag in Casablanca door een aantal jongeren, waarbij 45 mensen omkomen, vindt er onder leiding van Ahmed El Mesri weer een buurtgesprek plaats over de verhoudingen in de buurt na de aanslagen van 11 september, en met name naar aanleiding van de Amerikaanse inval in Irak, ditmaal in de Meevaart. De discussies lopen regelmatig fel op. Met name over de Israël/Palestinaproblematiek bestaan er veel emoties en blijken ook de meningen essentieel te verschillen. Over fundamentalistische islam-aanhangers is de algemeen gedeelde mening dat die zich niet in de buurt bevinden.

Ahmed El Mesri, die zojuist de 4 mei toespraak heeft gehouden op het Ceramplein, begint zich in deze periode steeds meer als leider te ontpoppen die zich inzet de verschillen tussen de groepen in de buurt te overbruggen. Zo schrijft hij naar aanleiding van de aanslagen in Marokko een ingezonden brief in de krant, waarin onder andere de volgende zinsneden voorkomen.

Terrorisme wordt vaak gekoppeld aan godsdienst, maar de echte reden voor terrorisme is haat. Marokko is een jong land en staat met één voet in de Arabische en met de andere in de Westerse wereld. Europa kan Marokko helpen. Het is bemoedigend dat iedereen tegen terrorisme is. Terroristen denken dat we denken in tegenstellingen. Wij hoeven niemand de schuld te geven, want iedereen is verantwoordelijk.

Marokko heeft de joden niet uitgeleverd aan de fascisten, bovendien hebben Marokkanen in de tweede wereldoorlog aan de kant van de geallieerden gevochten. Assadaaka is solidair met de verschillende groepen in Marokko. Het is belangrijk om vanuit mensenliefde en liefde voor de godsdienst op de gebeurtenissen te reageren.

Onderwijs in de Islam is belangrijk. Er zijn verschillende interpretaties van de Islam. Groepen zoals Al Qaida predikent verzet tegen gelovigen. De gebeurtenissen hebben niets met religie te maken. Alle religies nemen afstand van de gebeurtenissen.

Opvoeding moet ons leren lief te hebben. Gebeurtenissen, zoals nu in Marokko, zijn tekortkomingen in de liefde. Veel aandacht aan opvoeding besteden en liefde zaaien is belangrijk.

Met het welzijnswerk is het inmiddels een aardig onmogelijke zaak aan het worden, wanneer opvolger van Stichting Welzijn, Alcides, komt al na enige maanden in Zeeburg werkzaam te zijn in de financiële problemen en zal in 2004 op zijn beurt ook failliet gaan. Dat is het eind van een periode. Voortaan zal het welzijnswerk worden aanbesteed aan openbare inschrijvers, die veel minder directe voeling met de buurt hebben en die ook nooit meer een sterke machtspositie zullen opbouwen.

Nieuwe politiechef Paul Bos is aangenomen om naar de buitenwereld voortaan vooral het verschil tussen ervaren onveiligheid en werkelijke onveiligheid te gaan benadrukken. Het valt in feite wel mee met de criminaliteit in de buurt, aldus Bos in een interview met de Tong Tong in oktober 2003. Het gaat eerder om gevoelens van onveiligheid. Die komen dan met name door het rondhangen van jongeren op straat. Dit wordt door bewoners als bedreigend ervaren, zelfs als de jongeren geen kwaad doen. Deze jongeren hebben ondersteuning van hun ouders en het welzijnswerk nodig. Meer politieagenten in de buurt is geen oplossing. Wel als oplossing wordt gezien het ophangen van camera’s, alhoewel daar door progressieve burgers uit het oogpunt van privacy tegen geprotesteerd wordt. Ze zullen voor het eerst worden opgehangen in de zomer van 2004 en hangen er vandaag de dag nog.

Wie in 2003 ook aan de slag gaat met buurtverbetering, is Astrid Kuiper van bewonersvereniging Delistraat. Samen met Lennart Bohmer en Jeroen Frissen gaan in overleg met Ahmed El Mesri en andere actieve buurtbewoners met als doelstelling een brede bijeenkomst te organiseren onder de titel Buurtbijeenkomst Indische Buurt 2010. Motto is om samen na te denken over het leefbaar maken van de buurt, waar in 2003 meer moorden hebben plaatsgevonden dan ooit te voren. De bijeenkomst moet twee dagen gaan duren en zal worden gehouden in november 2003, in het nieuwe gebouw van Nowhere in de Madurastraat. Het is de bedoeling dat zich uit de samenkomst diverse kleine buurtprojecten ontwikkelen. De bijeenkomst is, mede dankzij de intensieve ondersteuning van het Stadsdeel, een groot succes en heeft voor velen een therapeutisch karakter. De eerste dag kan er uitgebreid geklaagd worden over de stand van zaken; de tweede dag kunnen acties worden geformuleerd. Alhoewel van de bedachte acties er later niet erg veel uitgevoerd kunnen worden, is de bijeenkomst als een kantelpunt te beschouwen, omdat voor de eerste keer buurtbewoners zelf de mogelijkheden beseffen de verantwoordelijkheid te nemen voor buurtverbetering.

Een groep Marokkaanse jongeren maakt de buurt intussen nog steeds onveilig en keert zich nu nadrukkelijker tegen homo’s, aldus een bericht in de Tong Tong, die het geval meldt van een homo die in de Indische Buurt in geslagen wordt door een groep jongeren. In het verslag worden ook twee alleenstaande homo’s opgevoerd, Henk en Jan, die een verklaring proberen te geven voor het gedrag van de jongeren.

In de Indische Buurt is sprake van een laag sociaal-economische status. De zich a-sociaal gedragende jongeren zijn in deze buurt toevallig Marokkanen. De Marokkaanse families komen uit achtergebleven gebieden waar weinig tolerantie bestaat naar uitzonderingen.

Volgens sommige anderen zijn de gedragingen ook mede te verklaren door een halfhartige houding van Marokkaanse jongeren ten opzichte van homosexualiteit. Enerzijds is homosexuelaliteit religieus expliciet verboden, maar anderzijds wordt door sommige jongens geld verdiend aan homosexuele contacten en vindt daarbij ook regelmatig misbruik plaats. Hoe dit ook zij, de agressiviteit van de betreffende jongeren komt in het stuk uitgebreid naar voren aan de hand van vele interviews. De problemen zijn nog niet opgelost en met name Ahmed El Mesri van Assadaaka zal zich de komende periode sterk gaan richten op het geven van voorlichting aan islamitische jongeren over homosexualiteit.

De moord op Theo van Gogh

Er is onmiskenbaar sprake van een groeiend fundamentalisme bij een aantal Marokkaanse jongeren in Amsterdam en ook in de Indische Buurt. Er is ook sprake van een zich steeds extremer opstellende Theo van Gogh. ‘Ik heb mijn varken Allah genoemd,’ zo kopt een column van Van Gogh in 2004 in het gratis dagblad Metro. Van Gogh lijkt wel levensmoe en zoekt steeds rabiater de confrontatie. Die komt dan ook op 2 november 2004. Theo van Gogh wordt die ochtend door Mohammed Bouyeri uit religieuze overwegingen op de Linnaeusstraat vermoord.

De moord verwerkt een enorme opschudding in Nederland en in de Indische Buurt. Fatima Elatik moet zich wegens bedreigingen – zij was nu eenmaal het zwarte schaap van Theo van Gogh – enige tijd terugtrekken. Er volgt een bliksemactie door de inlichtingendienst waarbij in Den Haag de zogenaamde Hofstadgroep wordt opgerold, die in vergaande staat van voorbereiding is van aanslagen op Nederlandse doelwitten. Daarbij wordt Bilal L. bij de Nasr Moskee in de Indische Buurt aangehouden, ook wel bekend als Abu Qatadaah. Hij zou de leider van een aantal islamitische jongeren in Amsterdam Oost zijn die bezig zijn met een aanslag op de wallen. Later komt Bilal in het nieuws wanneer hij een oproep doet uitgaan tot onthoofding van Geert Wilders.

De aanslagen in Casablanca en in Madrid hebben met elkaar te maken. De aanslag in Madrid van maart 2004, waarbij 191 mensen gedood worden, heeft ook te maken met de inmiddels salafistische Al Karama moskee op de Pontanusstraat, aldus een onbevestigde bron. Eén van de aanslagplegers bezoekt enige dagen voor de aanslag de moskee, en doneert een aanzienlijk bedrag.

Na de moord op Van Gogh is het met name Assadaaka dat diverse buurtbijeenkomsten organiseert om de gemoederen tot kalmte te manen. Ook richt de vereniging een calamiteitenspreekuur in. Ook Rogier Schravendeel van de Elthetokerk organiseert samen met Leo Nederstigt een bijeenkomst waar de twee kerken en twee moskees in de buurt elkaar kunnen ontmoeten om hun geloof aan elkaar uit te leggen en toe te lichten. Op deze bijeenkomst echter laat de Nasr Moskee het in laatste instantie afweten. Hun rol wordt overgenomen door Ahmed Marcouch, sinds 2003 voorzitter van de UMMAO, de Amsterdamse organisatie van Marokkaanse moskees, maar de nadrukkelijke afwezigheid van de Nasr Moskee zet wel kwaad bloed. De moskee heeft echter besloten zich nog nadrukkelijker te gaan isoleren.

Inmiddels is een opvolger van Pim Fortuyn opgestaan. Het is Geert Wilders, die zich in de VVD niet voldoende gehoord voelt wat betreft zijn vrees voor een overname van Nederland door de islam, en die in september breekt met deze partij en in eerste instantie als Groep Wilders verder gaat maar al spoedig de naam Partij voor de Vrijheid, PVV, aanneemt. Wilders is veel radicaler dan Fortuyn en lijkt het als zijn taak te zien er persoonlijk voor te zorgen dat de islam volledig uit Nederland verdwijnt. Dit levert hem al spoedig eerste jihadistische internetoproep tot onthoofding op, waarna de politicus politiebescherming krijgt. Er zullen nog vele doodsbedreigingen volgen en de AIVD ontdekt in de loop der tijd ook een aantal voorbereidingen voor een aanslag op Wilders.

Met de publicatie van een aantal cartoons over Mohammed vanaf najaar 2005 Denemarken escaleert de polarisatie ook in Nederland verder. Wereldwijd wordt tot moord op tekenaar Westergaard opgeroepen – er zullen ook diverse aanslagen op hem worden voorbereid, waarvan er een bijna slaagt. Als reactie hierp herpubliceert een aantal Nederlandse media en ook Geert Wilders de betwiste cartoons, wat hem op nieuwe bedreigingen komt te staan. Bij de eerste verkiezingen waaraan de PVV deelneemt, in 2006, behaalt de partij 9 zetels en is daarmee de vijfde partij van Nederland. Direct zet Wilders zijn agressieve koers door en dient in 2007 een motie van wantrouwen in tegen de twee staatssecretarissen, de Turks-Nederlandse Nebahat Albayrak en de Marokkaans-Nederlandse Ahmed Aboutaleb wegens een dubbele nationaliteit. Zijn volgende wapenfeit is de film Fitna uit 2008. In de film worden beelden van terrorisme in de naam van de islam, verbonden met teksten uit de Koran, en wordt gewaarschuwd voor de invloed van de islam in Nederland.

In de Indische Buurt inmiddels is het erg rustig. De nog steeds bestaande Marokkaanse en Turkse zelforganisaties gaan nog steeds hun gangetje, minimaal gesubsidieerd maar wel van vergaderruimte voorzien door het welzijnswerk, dat inmiddels door organisatie Civic wordt uitgevoerd, die in 2007 de aanbesteding van het welzijnwerk wint. De vernieuwing van het sociaal domein wordt nu onder regie van het Stadsdeel steeds meer overgelaten aan een kleine groep welzijnsprofessionals, waaronder Firouz Azarhoosh, Pierre Mehlkopf en Mellouki Cadat. Een van de projecten is de Timorplein Community, gestart in 2008, die bedoeld is om met kleine subsidies lokale welzijnsondernemers te verleiden zich voor de buurt in te gaan zetten. Het concept slaagt wonderwel, en een hele reeks van kleinschalige projecten stroomt hieruit voort. Daarnaast is sprake van het oprichten van een zogenaamde buurtcorporatie, die de overblijvende welzijnspanden – Stadsdeel Zeeburg verkoopt er een heleboel in 2010 – beheert, zoals de Meevaart in de Balistraat en het opgeknapte gebouw Archipel op het Makassarplein. Het is de bedoeling dat het beheer door bewoners wordt ingevuld, maar dat wil tot en met vandaag de dag nog niet erg lukken.

Alhoewel de vrees voor extremisme nog wel een tijdje blijft bestaan bij sommige buurtbewoners van de Indische Buurt – in 2009 besluit Stadsdeel Zeeburg vanwege signalen van radicalisatie in beperkte kringen tot een beleidsplan vervreemding en radicalisering – lijkt er in de buurt geen sprake te zijn van verdergaande polarisering. Integendeel, de buurt begint er steeds beter uit te zien vanwege de inmiddels doorgezette intensieve renovaties van de diverse woningbouwverenigingen en trekt steeds meer een jong en hip publiek. De gentrificatie heeft zich ingezet.

De in het stadsdeel zo geliefde Fatima Elatik weet het in 2009 inmiddels tot stadsdeelvoorzitter van Zeeburg te schoppen en na de fusie met Oost Watergraafmeer in 2010 ook tot stadsdeelvoorzitter van het nieuwe stadsdeel Oost. Zij zal dit blijven tot 2014.

Heden

Het is niet gemakkelijk en nauwelijks zinvol om geschiedenis volledig door te trekken naar het heden, omdat dit heden altijd onderdeel is van de zich nog vormende toekomst. Daarom stopt de gedetailleerde geschiedenis van de Marokkaanse Indische Buurt omstreeks 2005. Er is nog een andere reden dat deze geschiedenis in 2005 stopt. Het jaar 2005 lijkt een cesuur aan te brengen, in die zin dat we ergens onzichtbaar een bepaalde lijn over zijn gehobbeld waardoor het gebruik van de term Marokkaanse Indische Buurt vandaag de dag niet volledig relevant meer is. Ongetwijfeld heeft dat met het wegvallen van de zelforganisatie te maken. Maar ook met de voorbeeldfunctie van een groeiend aantal succesvolle migranten van Marokkaanse afkomst. Daarom zal het tweede deel van dit boek gewijd zijn aan een aantal interviews met een aantal van deze uit de Indische Buurt afkomstige succesvolle mannen en vrouwen.

Voor wie vandaag de dag door de Javastraat loopt is het nauwelijks voor te stellen dat de verhoudingen in de Indische Buurt ooit zo gespannen zijn geweest als ze inderdaad zijn geweest. De buurt is inmiddels in bloei gekomen. Nauwelijks is op straat nog terug te zien hoe moeilijk de verhoudingen tot 2005 toch echt wel waren. Het is een moeilijk te beantwoorden wat precies de verandering teweeg heeft gebracht, maar er zijn wel degelijk enige factoren geweest die in ieder geval een gunstige bijdrage hebben geleverd. Allereerst simpelweg een voortschrijdend inzicht bij politiek en overheid dat niet multiculturaliteit maar interculturaliteit de inzet diende te zijn. Daarnaast de ingrijpende verandering in het sociaal-fysieke domein: een veranderde samenstelling van het woningaanbod. Maar vooral een gestaag werken van individuen en organisaties aan de basis aan wederzijds begrip.

Het gaat hier niet aan alle individuen en organisaties te gaan noemen die hieraan bijgedragen hebben. Dat zijn er zeer veel geweest en we hebben er een aantal hierboven behandeld. Maar we willen vooral benadrukken dat de Indische Buurt als geheel op de een of andere manier een wonderlijke veerkracht ten toon gespreid heeft. Die veerkracht is niet exact te benoemen, maar heeft ongetwijfeld te maken met de wel heel bijzondere geschiedenis van de buurt, die als een van de eerste Amsterdamse buurten vanaf haar bouw vanaf 1900 een migrantenbuurt was. De eerste bewoners van de Indische Buurt waren, in tegenstelling tot buurten als enige tientallen eerder gebouwde buurten als Oosterparkbuurt en Dapperbuurt, voor het grootste gedeelte niet uit Amsterdam afkomstig, maar uit plaatsen elders in Nederland. De Indische Buurt was van het begin af aan immigratiebuurt.

De Marokkaanse groep was daarbij misschien een van de lastigst in te passen groepen, vanwege een zeer sterke eigen cultuur gecombineerd met een grote belangstelling voor de openbare ruimte. In mijn ogen is de groep sterk vergelijkbaar met de Joodse groep van voor de Tweede Wereldoorlog, die ook behoorlijke moeilijkheden hadden in de niet-Joodse seculiere samenleving van de Indische Buurt te integreren. Bij die integratie gaat het uiteindelijk om integratie zonder assimilatie. Dat was tot voor kort niet gemakkelijk in onze tot voor kort nogal agressief seculariserende samenleving; we mogen dankbaar zijn dat het modernisme inmiddels is overgegaan in het postmodernisme.

Integratie zonder assimilatie. Is dat ook voor de meer fundamentele islam mogelijk? Het is mijn sterke overtuiging dat dit inderdaad mogelijk is. Bijzonder is het bijvoorbeeld om te zien hoe de huidige islamitische As Siddieq-school aan allerlei maatschappelijke initiatieven, zoals bijvoorbeeld de vreedzame school en het project Oorlog in mijn buurt deelneemt zonder haar islamitische basis te verloochenen. Ook de Al Karama moskee is vandaag de dag, alhoewel net als de Nasr Moskee weinig naar buiten tredend, expliciet niet politiek salafistisch. Ik beschouw dat als hoopvolle tekens.

Criminaliteit is nog wel aanwezig. Dat heeft er zeker mee te maken dat de hash-handel tussen de Rif en Nederland in verhouding nu eenmaal uiterst lucractief is. Het lijkt er echter op dat de criminaliteit aan het professionaliseren is. Of dat een gunstig teken is, is de vraag. In zekere zin is het een teken van volwassenwording. Anderzijds is het geweld in deze kringen steeds excessiever, gezien onder andere de onthoofding van Nabiel Amzieb, die vorig jaar vanuit de Nasr Moskee werd begraven.

Waar de geschiedenis van de Marokkaanse buurt dan een gestaag naderend einde lijkt te kennen, is dat einde tegelijkertijd de opening van een nieuw verhaal, een nieuwe geschiedenis. De geschiedenis van de Marokkaanse migranten in de Indische Buurt. Daarover gaat het tweede deel van dit boek.

DEEL TWEE De geschiedenis van Marokkaanse migranten in de Indische Buurt

 

Interview met Ahmed Marcouch

Hallo Ahmed, we kennen elkaar nog van de tijd dat je voor Stadsdeel Zeeburg en we samen een bijeenkomst organiseerden naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh. Jij was toen vertegenwoordiger van de UMMAO. Kom je nog wel eens in de Indische Buurt?

Ja, voor mij is dat heel veel nostalgie. Ik ben nog wekelijks in de Indische Buurt, bij de kapper of ik bezoek een winkel. Het was mijn eerste stadsomgeving en ik heb er nog veel goede herinneringen aan.

Ik kwam in 1979 met mijn familie naar Amsterdam, rechtstreeks uit een klein plattelandsdorp in de Rif, een geisoleerd en onderontwikkeld gebied, waar ze Tamazight spraken en er nauwelijks voorzieningen waren. De Marokkaanse regering heeft lange tijd een bewuste politiek gevoerd om het gebied te laten boeten vanwege het feit dat ze in opkomst waren gekomen tegen Mohammed V. De mensen die in Amsterdam Oost kwamen waren in feite oorlogsgetraumatiseerd. Jonge mannen werden seksueel misbruikt, mensen werden gedood, mensen werden vernederd. Dit werd grootschalig naar buiten verzwegen, maar had een grote impact. Er wordt trouwens nog steeds niet over gesproken. Nog niet zo lang geleden is er een documentaire geweest waar slachtoffers aan het woord kwamen, zoals onder andere de vader van Abdou El Khatabi. Vernedering. Deze mensen zagen Europa als een uitweg. In feite waren het politieke vluchtelingen, onderdrukt door het Marokkaans regime, de autoritaire staat.

Amicales werden daarbij gezien als oren en ogen van de onderdrukker, de autoritaire staat. Je hoefde maar weinig te zeggen om als politieke tegenstander te worden gezien. Die periode heeft geduurd totdat in 1991 de geheime Tazmamart-gevangenis voor politieke gevangenen in de Atlas werd gesloten. Politieke tegenstanders werden hier onder vreselijke omstandigheden ondergronds vastgehouden in te kleine cellen, werden gemarteld etc.

Kwam je in 1979 meteen in de Indische Buurt terecht?

Nee, we woonden eerst op de Beukenweg. Ik heb daar nog wel herinneringen aan. Zo deden we bijvoorbeeld onze boodschappen op souq 3. We noemden het souq 3, markt 3, omdat we het woord Dappermarkt niet konden uitspreken. We ontwikkelden een beetje een eigen boekje over hoe alles heette. Zo was de Albert Cuijp-markt souq 16, de ten Kate-markt souq. Het had met de tramlijnen te maken. We hadden geen taal, dat was allemaal zeer beperkt. En in diezelfde tijd dat wij vanaf het platteland arriveerden waren er tegelijkertijd grote revoluties aan de gang: Dolle Mina’s, sexuele revoluties, provo’s. We dachten: “Wat is dit!!!” Aan de andere kant hadden we zoveel meegemaakt dat we niet meer terug wilden. De omstandigheden in Nederland waren goed. Zelfs ziekteverzuim werd betaald en we voelden ons hier mens. Maar het punt was dat we niets konden bijdragen. We waren wel werknemers, gastarbeiders, altijd dolblij wanneer we ergens in een pension een bed hadden. Het was vanzelfsprekend dat je elke dag werkte, liefst bij meerdere bazen om zoveel mogelijk geld te verdienen.

Hadden jullie wel de ambitie terug te gaan?

Iedereen had de ambitie om terug te gaan. Veel geld verdienen en in het land van herkomst gaan investeren, een eigen inkomen in Marokko genereren. Maar dat is begin jaren tachtig ernstig misgelopen. Er was een enorme recessie, er was sprake van een doorgaande robotisering en bovendien werden steeds meer opleidingseisen via de cao’s gesteld. Mensen vielen terug in een massale werkloosheid. Zelfs voor het werken van de Reiniging had je voortaan een LTS-diploma nodig om de ARBO-instructies te kunnen lezen. De gevaarlijke banen – bijvoorbeeld in de munitiefabriek – en vieze banen verdwenen en de Nederlanders begonnen weer in de laagstbetaalde banen binnen te stromen.

Wat deed je vader voor werk?

Mijn vader werkte in hotels in banen als receptionist of bagagist; hij werkte ook wel in de Horeca. Mijn vader hadden in totaal 15 kinderen. Mijn eigen moeder overleed toen ik drie was. Bij mijn nieuwe moeder volgde nog tien kinderen. We zaten niet allemaal in dat appartement hoor, want twee zussen waren al getrouwd, een broer zat in Frankrijk, een in Belgie en een was thuis in Marokko gebleven. In eerste instantie zaten we met zijn zevenen in een 1-kamerappartement. Later kwamen daar nog twee kinderen bij. Het was heel vol.

De omgeving was prachtig, want we woonden vlakbij het Oosterpark, bij het OLVG en bij de school. Vader was erg blij met de woning. Ook hij werd begin jaren tachtig werkloos. Daarna was hij huisvader en ging frequent naar de moskee. Zijn eigen droom was ten einde, maar zijn droom en ambitie werd nu: kansen pakken voor de kinderen. En dat is gelukt. Hij was trots voor zijn overlijden. Mijn andere broers en zussen zijn ook allemaal goed terechtgekomen. Ik heb een broer die leraar scheikunde is, een broer die leraar Franse letterkunde is, drie werken er in de bouw, een zus is apotheker, een aantal andere zusjes werken in de kinderopvang. Het kan dus wel.

Hoe komt het dat de hele familie zo geslaagd is?

We waren goed doordrongen van het feit dat Nederland veel te bieden had en dat het de plicht is kansen te grijpen. Vader zei dat vooral. Vader was spirituele man. Materialisme speelde bij hem geen rol. Vader zei altijd dat het beste wat je doen kunt, is een goed mens te zijn. Op zo’n manier dat je altijd met een geheven hoofd door de samenleving kan lopen, omdat je niemand iets misdaan hebt. Vader zei altijd: een stukje droog brood waar je hard voor hebt gewerkt, is duurzamer dan een stuk gegeven brood. Laat staan als je het verkrijgt uit diefstal.

Vader was een actief Soefi, een soort spirituele stroming in de islam. Hij had ook bepaalde Sheik, van de Orde van de Mozaisten, genoemd naar Mozes. Dat is een specifieke Marokkaanse orde; misschien is er ook wel een link met het Midden Oosten. Vader had een vaste structuur. Het ochtendgebed deed hij altijd om 5 uur ’s ochtends en wij werden wakker gemaakt. We lazen dan altijd een hoofdstuk uit de Koran, Specifiek Marokkaans, misschien ook link Midden Oosten. Had een structurr dat hij altijd het ochtendgebed deed om 5 uur ‘sochtends en zij werden wakker gemaakt. Lazen een deel van de Koran, een Hizb. Dat was standaard.

Hoe vond je het in Nederland?

Ik was analfabeet en nog nooit naar school geweest. Ik had nog nooit een pen vastgehouden. Maar ik had een grote motivatie en goede mensen om me heen die me stimuleerden. Ik wil behalve mijn vader ook juf Herma noemen van de Basisschool, de Vierde Montessorischool in de Tweede Boerhaavestraat. Juf Herma was een liefdevol mens. Ik leerde bij haar de taal, woord voor woord. Ze ging expliciet met mij aan de slag en ze ramde het er in. Iedere dag nieuwe woorden, en uit je hoofd leren. Juf Herma bracht niet alleen de taal over, maar ook de mores van Nederland. Dingen over Sinterklaas. Ik ging dat wonder van Sinterklaas aan vader uitleggen: Sinterklaas geeft kadootjes, maar je moet ze zelf kopen.

Juf Herma ging mee naar bibliotheek op de Polderweg. Ze bracht ons op dinsdagochtend naar de school waar nu de Al Karama-moskee zit, voor een ochtend les in eigen taal en cultuur.

Ik vind het jammer dat de overheid zich daar niet meer mee wil bemoeien, Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur. Als je mensen wilt laten integreren is het belangrijk dat ze innerlijke veiligheid ervaren. Als je geen innerlijke veiligheid ervaart, als je bang bent voor de ander, dan kom je niet bij elkaar. Angst leidt tot intolerantie, leidt tot een kloof. Angst maakt mensen onproductief en ondermijnt uiteindelijk het burgerschap. Er zou een klimaat moeten zijn van: ‘je mag er zijn’.

Het gaat wat dat betreft niet de goede kant op.

We moeten mensen zien als bomen: ze hebben een stam en een kruin. Een boom kan elke storm overleven als hij via een stevige stam goed verbonden is met zijn wortels. Personen bestaan uit meerdere identiteiten en daar moet ruimte voor zijn. Als die ruimte er is, ben je vruchtbaar. Maar als de mensen allemaal je wortels af willen hakken, dan word je wiebelig. We zijn bang voor elkaar. Dan wordt je intolerant.

Maar we gaan het oplossen. Door dialoog. Met je buren. In het onderwijs. We zullen elkaar een beetje moeten opzoeken.

Ik kom heel veel in het onderwijs. Het Scheppingsverhaal leert ons de essentie van het bestaan. We zijn allemaal kinderen van Adam en de aarde. We zijn broeders en zusters vertel ik op scholen. Wat heeft God gezegd toen Hij zijn geest in Adam blies? Dat de engelen voor hem moesten knielen. Maar Lucifer weigerde dat, omdat hij zich beter voelde. De mens werd heilig door het inblazen van de geest. Hoe haal je het als ISIS in je hoofd om dit te beschadigen? Hoe kan ISIS iets te doen hebben met de Schepper?

Ik heb altijd gewaardeerd dat je een gelovig man bent.

Ik heb veel gepreekt in kerken, bijvoorbeeld bij de Remonstranten, en ook deelgenomen aan de Eucharistieviering. Ik wil de kerken uitdagen om de vader of moeder te zijn voor de nieuwe religieuzen: een systeem universiteiten, van papa en mama. Het is ontzettend belangrijk om te leren van de geschiedenis van de religieuzen en de godsdienst in Nederland. Gewone moslims zien de diversiteit niet. Ze weten niet hoe die tot stand is gekomen – wat er allemaal gebeurd is – en waarom. De vrijheid van godsdienst is door onderhandelen ontstaan.

Kun je nog iets vertellen over je tijd in de Indische Buurt?

Ik ben tien jaar politieagent geweest in de Indische Buurt en ik heb veel gezien. Gaten werden gevuld door drank, drugs en spiritualiteit. Veel mensen zien de schoonheid van de religie niet meer. Geloof is bedoeld om de samenleving als mooi te zien en mooi te maken. Maar mensen willen geen ethiek meer: zodra ik mijn kans zie, pak ik het. Ze zijn hun geloof kwijt, hun morele navigatie. Ze doen maar wat. Geloof is een catalysator van het goede.

Ik ben na juf Herma naar de middelbare school van Patrimonium gegaan aan de Vrolikstraat voor een timmermansopleiding. Het was een christelijke school en ze beginnen de ochtend met gebed. Er werd ook godsdienstonderwijs gegeven.Een mens is meer dan een beroep alleen. Het gaat ook om persoonlijke en spirituele ontwikkeling. Ik ben trouwens nooit timmerman geweest. Na een jaar MTS ging ik de verpleging in als ziekenverzorgende in het Leo Polakhuis, in combinatie met de opleiding. Daarna kwam ik bij Van Leer terecht, de papierfabriek in Duivendrecht. Maar ik had een grote drang om mensen te helpen. Ik was ongeveer 24 jaar toen ik besloot politieagent te worden. Ik kon in 1993 gelijk aan de slag met de opleiding en ik startte in 1994 in de Indische Buurt. Ik voelde me blij en trots, want het was nog niet zo gemakkelijk. Ik kende de buurt bovendien goed, want ik was een echte moskee jonge. Ik zat om het weekend op de Batjanstraat in de Nasr Moskee. Die zat daar toen nog.

In 2003 werd ik woordvoerder van de UMMAO, de Unie van Marokkaanse Moskees in Amsterdam. Uiteindelijk ben ik vooral een product van de Al Kabir moskee. Ik bezocht daar altijd het onderwijs, preken etc. Achter de schermen dachten we na over een nieuw concept, een visie op de moskee. Waartoe dienen de moskees? Na de moord op Theo van Gogh kwam alles in een stroomversnelling terecht en werd ik gevraagd als woordvoerder op te treden. Ik was al een bekende figuur en als politieman al veel in de publiciteit geweest.

Mijn stijl van werken is altijd het aanspreken van ouders geweest. Ouders zijn verantwoordelijk hun kinderen te ondersteunen.

Ik ben tot 2006 in de Indische Buurt gebleven. Toen kon ik Stadsdeelvoorzitter worden. Dat was de reden voor mijn vertrek uit de Indische Buurt. Maar zoals al gezegd: ik kom er nog altijd graag.

 

Interview met Ahmed el Mesri

Hoe lang woon je al in de Indische Buurt?

Ik ben in feite al betrokken bij de Indische Buurt sinds ik hier voor de eerste keer, in 1976 op 16-jarige leeftijd kwam te wonen op Halmaheirastraat 67. Dat pand zou later gesloopt worden. Het was midden in de hippietijd.

Waar komt je familie vandaan?

Ik ben uit Tetouan afkomstig, uit een gezin van twee meisjes en vijf jongens. Mijn vader dreef handel in Ceuta en ik had een toeristenwinkeltje in Tetouan met spullen uit Ceuta. Dus ik deed daar wel wat internationale ervaring op. Toen ik in Nederland aankwam sprak ik al Frans, Spaans en Engels. Ik was op dat moment op een soort wereldreis en trok in Europa rond. Later ging ik naar de DSVO om ook Nederlands te leren, ergens bij de Marnixstraat.

Ik reisde in die tijd in het rond en was behoorlijk onrustig. Amsterdam trok. Voordat ik in de Indische Buurt terechtkwam, woonde ik in de Jordaan, in de tuinstraat. Ik had in die tijd ook geen sterke betrekking op de Marokkaanse gemeenschap in Nederland. Daar paste ik niet zo bij. Ik ging wel eens naar een theehuis, maar het zei me persoonlijk allemaal niet zoveel. Het waren in die tijd meest omgeschoolde mensen van het platteland en de bergen. Onder elkaar was er ook veel discriminatie. Mijn vrienden waren meer Engelsen, Fransen, Duitsers, Hollanders etc.

Ik heb begrepen dat een ongeluk jouw leven volkomen heeft veranderd.

Het ongeluk vond in het jaar 1978 plaats, langs de dijk bij Lelystad. Ik was medepassagier. Ik stond toen net op het punt om weer op reis te gaan; de koffer stond al ingepakt. Ik had eigenlijk altijd het idee gehad dat ik mijn toekomst in Marokko lag. Net zoals mijn vrienden dingen opbouwen, projecten doen. Maar daar kwam niets van terecht.

Na het ongeluk kwam ik in het ziekenhuis in Zwolle terecht. Dat was een heel extreme tijd. Ik kon maar een klein beetje Nederlands praten en ik had het zwaar in het ziekenhuis. Er was zelfs een zuster die me sloeg, maar niemand geloofde me. Na drie en een halve maand werd ik doorgestuurd naar een revalidatiecentrum in Leersum.

Ik had hier niemand, geen familie. Het was tijd om me te bezinnen. Ik was wel moslim en geloofde in God, maar ik kon me er in die tijd niet mee verzoenen wat er gebeurd was. Er was niemand.

Later in het revalidatiecentrum ging het wel beter. Ik heb daar anderhalf jaar gezeten. Ook daar kwam nooit familie langs, maar ik maakte er wat vrienden. Eentje zag me zelfs als zijn broer. Een andere vrouw, uit Leersum, die nu 97 is, beschouwde me als haar zoon.

Hoe ben je weer in Amsterdam terechtgekomen?

Bijna twee jaar na het ongeluk kreeg ik een huis in de Bloemenbuurt in Amsterdam Noord, op de begane grond. Daar woonde ik tot 1986. Daar zat ik dan. Ik had alleen een bed, een nachtkastje en een oude tafel. Er was verder niet. Ik heb er twee weken met gesloten gordijnen gezet en ik heb me bezonnen. En toen heb ik een soort roeping gekregen: ga wat doen. In zekere zin heb ik daar vrede gesloten met een stukje eenzaamheid. Ik voelde me bevrijd.

Ik besloot naar het gemeentelijk volwassenonderwijs. Eerst in Noord en later ook in Oost. Mijn houding was veranderd. Ik had een open houding gekregen. Ik ben nog naar een school in Zuid geweest, MAVO/HAVO gedaan. Vandaaruit naar de VU, Sociale Akademie. Daar heb ik allerlei vakken behaald, maar geen diploma’s. Mijn ideaal was nu geworden om hulpverlener te zijn, om mensen zoals mezelf te helpen, mijn lotgenoten.

Dus naast mijn studie begon ik mensen te helpen. Ik ging bijvoorbeeld mensen opzoeken die een ongeluk hadden gekregen, net als ikzelf. Ik ging zieke mensen bezoeken, mensen die hulp nodig hadden en nog meer. Je mag mijn roeping niet religieus noemen, maar ik wil wel iedereen helpen.

Behalve student en hulpverlener was ik in die tijd ook ondernemer. Ik huurde ruimtes die ik inrichtte als Horeca. Dat ging ook goed. Ik had zaken in de Marnixstraat, in de Jordaan en in West. In Oost had ik trouwens geen zaken.

Hoe kwam je weer in de Indische Buurt terecht?

Na Floradorp ben ik in 1986 weer naar de Indische Buurt gekomen. Ik voelde op de een of andere manier een sterke betrekking op Amsterdam Oost. Ik kwam toen in de Madurastraat terecht.

In die tijd startte ik ook diverse migrantenorganisaties. Ik was bij alles en nog wat betrokken. Ik ben medeoprichter en voorzitter geweest van de Marokkaanse Raad Zeeburg, maar ik zat bijvoorbeeld ook bij het Nederlands Centrum voor Buitenlanders. Ik hielp ook andere groepen, zoals Turkse groepen buiten de Indische Buurt en ook Spaanstaligen. Tja, wat nog meer. Ik heb de MAOI opgericht, de Marokkaanse Activiteiten Ouderen Indische Buurt, en SIZIN, een Turkse stichting. Ik ging gewoonlijk overal een jaar of een paar jaar bij, om het op te richten.

Je hebt je grote bekendheid natuurlijk te danken aan Assadaaka. Wil je daar iets over vertellen?

Ik heb Assadaaka in 1991 opgericht. Ik was in die tijd helemaal klaar met het categoraal denken: Marokkaanse clubs voor Marokkanen, Turkse verenigingen voor Turken etc. Ik had ontdekt dat categoraal denken mensen eigenlijk tot patienten maakt. Maar het is juist de bedoeling dat een patient geneest. We moeten het samen doen, niet apart. Ik noemde de vereniging Assadaaka. Dat betekent vriendschap. Terugkijkend was dat misschien een beetje naief en had in de vereniging beter Vriendschap kunnen noemen.

Ik vervul eigenlijk een brugfunctie met Assadaaka, maar het systeem blijft in feite het categoraal denken ondersteunen. Je krijgt het systeem tegen je, maar de categoralen ook. Ik ben vaak getreiterd en ook wel bedreigd. Maar ik heb gewoon doorgezet. Sommige lui komen ook gewoon fysiek dreigen, schelden en zo. De willen koning van hun groep zijn en dat de anderen slachtoffers blijven. Ik ben nooit politiek geweest, maar altijd erg tegen die slachtoffersrol. Mensen komen daar niet verder mee. Mensen moeten niet in hun hok blijven zitten, maar iets gaan doen.

Achmed, bedankt voor dit interview.

NB Binnenkort zal op deze website een meer uitgebreide biografie van Ahmed El Mesri en Assadaaka geplaatst worden. Assadaaka heeft ook een website.

Rogier Schravendeel

 

Interview met Abdou el Khatabbi

Geef een reactie

Goedenmiddag mijnheer el Khatabbi, dank u dat u ons dit belangrijke interview toestond. Kunt u iets vertellen over uw rol bij de Marokkaanse Raad Zeeburg?

Ja. Om te beginnen wil ik aangeven dat het voor onze achterban belangrijk is om te begrijpen wat een democratie precies is, hoe die functioneert in Nederland. De verkiezingen in Marokko verlopen bijvoorbeeld niet altijd even eerlijk. Daar bestaat dus geen zonder meer positief beeld van. En dan heb je ook nog het probleem met allerlei verschillende groepen in het land. Zelf ben ik afkomstig uit Tetouan. Ik ben Amazigh, een oorspronkelijke Berber. Het is dan niet altijd even gemakkelijk om een gemeenschappelijk verhaal te maken.

Je moet het zo zien. Iemand uit onze achterban weet vaak alleen de Dappermarkt te vinden en de moskee. Zo maakt hij elke dag zijn driehoekje en gaat dan weer naar huis. Hij leest geen kranten en volgt het nieuws niet. Hij gaat maar eens een beetje roddelen.

Er is een grote groep die helemaal niets te doen heeft. Ze vinden het een prachtige wijk en willen, op een enkeling na, graag blijven wonen. Ze hebben niet voldoende ontwikkeling om naar Marokko terug te gaan en daar te slagen. De problemen in Marokko zijn alleen maar groter geworden. Er is niet voldoende vertrouwen in het land om terug te keren. De kinderen en de kleinkinderen wonen hier, en die gaan zeker niet meer terug naar Marokko. En daarom willen de moeders ook niet meer terug. Dat is wel het grootste probleem. Die willen contact houden met hun dochters. Vader wil wel terug, maar de moeders willen blijven. Er zijn er wel die teruggaan; die zijn gehoorzaam aan hun man.

U heeft veel te maken met jongeren. Hoe gaat het met de jongeren in de buurt?

Er is sprake van veel discriminatie. Het is moeilijk aan een baan te komen. Als jonge mensen hier in Amsterdam Oost willen blijven, zijn ze zo ongeveer kansloos. Het is tegenwoordig het beleid om meer naar menging te streven. Ik vind dat goed, maar de mensen vinden dat moeilijk. De groep wil bij elkaar blijven en weten niet wat de bedoeling van integratie is. De hoge werkloosheid is vooral een gevolg van discriminatie. De essentie is dat sommige jongens zich niet geaccepteerd voelen. Het lijkt wel een soort apartheid. Waarom willen anderen niet bij mij op school zitten? Je hebt tegenwoordig witte en zwarte scholen. Die jongens voelen zich niet geaccepteerd. Ze voelen zich meer Nederlander dan Marokkaan en ze hebben maar weinig waarden en normen van Marokko meer over. Ondelings spreken ze ook geen Marokkaans meer, maar horen ook niet bij de Nederlanders. De Turken spreken onderling veel vaker Turks. Maar de Marokkaanse jongens spreken Nederlands onderling. Maar ze worden gediscrimineerd en ook niet geaccepteerd. Dat hebben Turkse jongens ook wel. Bij Surinamers is het minder.

De islam is niet echt een probleem en ook de positie van de vrouw is ook niet echt een probleem. Er is trouwens ook een grote groep die veel minder problemen heeft. Maar het zou goed zijn wanneer de politiek banen voor deze jongens zou creeren, zoals je vroeger de Melkert-banen had. Maar ja, dat is allemaal afgeschaft, dus wordt het ook niet oplosbaar.

Ik ben zelf altijd jongerenwerker geweest. Ik ging vooral om met de groep jongeren van 16 tot 21. Daar was best veel criminaliteit onder. Als je eenmaal 24 jaar bent, dan ga je trouwen, dan komt het allemaal weer goed. Maar de jongere groep is moeilijk. Crimineel gedrag is vaak ook een soort protest. Maar er zijn natuurlijk ook jongens die professioneel crimineel worden.

Ik heb het al eerder gezegd: de school is de sleutel van alle problematiek. Maar daar liggen ook de oplossingen. Er moeten meer mentoren op de middelbare school komen. Ouders moeten veel meer worden betrokken. Er is toch ook geen vader die wil dat zijn zoon een crimineel wordt? Het zou het beste zijn als Marokkaanse jongens een Marokkaanse mentor zouden hebben. Die snapt het gedrag van zo’n jongen. Dat is een goede vorm van preventieve aanpak.

U bent zelf al geruime tijd in Oost bezig met ondersteuning van de gemeenschap. Wilt u daar iets over vertellen?

Ik ben al lange tijd voorzitter Marokkaanse Raad Oost. De Marokkaanse Raad is begonnen in 1989, met de instelling van de Stadsdelen. Je had ook een Stedelijke Marokkaanse Raad, en een aantal Marokkaanse Raden in bepaalde gebieden. De Stedelijke Marokkaanse Raad is enkele jaren geleden opgeheven. De Marokkaanse Raad Amsterdam Oost is de enige Marokkaanse Raad die overgeleven is.

Vroeger was ik professioneel jongerenwerker, maar nu doe ik het voorzitterschap van de Marokkaanse Raad vrijwillig. Ik ben vroeger ook actief geweest bij het Komittee Marokkaanse Arbeiders in Nederland, van Abdou Menebhi. Maar tegenwoordig is bijna alles opgeheven. Er zijn maar weinig mensen te vinden die hier hun schouders onder willen zetten. Het vergt veel tijd en energie. Ik hou een beetje in de gaten hoe het gaat.

We hebben op het ogenblik drie dagen in de week sociaal spreekuur, voor de hulpvragen. Dan verzorgen we sportactiviteiten voor ouderen en organiseren we voorlichtingsbijeenkomsten over allerlei onderwerpen. Ook zijn er activiteiten voor vrouwen en kinderen. Het is allemaal op vrijwillige basis. We krijgen de ruimte en een paar duizend euro per jaar. Onze organisatie heeft een goede reputatie. We proberen zoveel mogelijk mensen te trekken en we hebben op het ogenblik maar liefst negen stagiair, waaronder ook een Surinamer.

Kunt u iets vertellen over uw andere ervaringen in de Indische Buurt?

Ik ben in 1973 in de Indische Buurt komen wonen. Er woonden hier toen al best wel wat Marokkanen. In ongeveer 1974-1975 begonnen we met moskeebijeenkomsten. Samen met de Turken zaten we in het gebouwtje aan de Batjanstraat. Wij hadden een kamertje boven en zij beneden. Ergens in de jaren tachtig gingen de Turken het huidige gebouw aan de Zeeburgerdijk huren, met hulp van Jan Beerenhout van de PvdA. Die heeft altijd veel Turken geholpen. De Turken waren meer georganiseerd; die hadden meer discipline. De Marokkanen zijn stouter, die willen geen leider. Als iemand wat wil ondernemen is het al gauw een klootzak. Turken hebben discipline en gehoorzaamheid, maar Marokkanen kunnen niet goed samenwerken. Die wantrouwen elkaar. De Turken zijn ook nooit gekolonialiseerd geweest. Marokko wel. Verdeel en heers was dat.

Bij de Marokkanen in de Indische Buurt heeft ca. 45% een Amazigh-achtergrond. Bij sommige leeft deze identiteit nog echt. Het is niet zo dat de Berbers meer wantrouwen dan anderen zouden hebben naar de buitenwereld. Maar ze vinden het wel leuk om onderling Amazigh te praten. Iemand die alleen de Arabische taal praat voelt zich dan uitgesloten. Er zijn altijd minderheden geweest die zeggen dat de Arabieren de Amazigh onderdrukken.

 

Ik heb begrepen dat u betrokken was bij de Al Karimi moskee aan de Pontanusstraat, maar nu weer in de Nasr Moskee komt?

Dat klopt. Ik heb die moskee zelf opgericht, maar tegenwoordig heeft de jeugd de leiding. Deze moskee is erg op Saudi Arabie gericht; het zijn daar salafisten. Ik heb erg mijn best gedaan om ze iets over de democratie te leren, maar ik denk nu dat de mensen van de Nasr Moskee gelijk hebben. Ik dacht dat ik goede mensen binnenhaalde. Dat was op zich ook zo, maar ze hebben de moskee een beetje overgenomen. Ze acccepteren niemand, behalve als hij uit hun groep komt. En ze blijven net zo lang aanhouden tot ze in alles hun zin krijgen. En zo hebben ze het over kunnen nemen,ook omdat veel mensen terug gingen naar de Nasr Moskee. Ze zijn gewoon een vereniging; binnen een democratie kunnen ze dit doen. Ze zijn ook met nieuwe rituele gekomen; bijna iedereen is weggegaan. Het is ook zeker niet zo dat de jongeren uit de Nasr Moskee naar de Pontanusstraat trekken.

De moskee is van de Batjanstraat naar de Toministraat gegaan in ongeveer 1978. Zo konden daar een ruimte voor zichzelf huren in de voormalige Hersteld Lutherse kapel. Het gebouw was zelf ook eigendom van de Nasr Moskee. De moskeegangers hebben het allemaal zelf bij elkaar gelegd. De huidige Nasr is ook eigendom, met Ahmed als Imam en woordvoerder Ali Louakili. De Nasr Moskee is een belangrijke plek voor de Marokkaanse gemeenschap. Per gebed komen er elke dag wel 300-500 mensen. Er wordt ook Arabische les gegeven, om de Koran beter te begrijpen. Het bestuur van de moskee is Amazigh. De preek is in het Arabisch.

In het verleden waren er spanningen in de Nasr moskee. Er heeft op een gegeven moment een machtstrijd plaatsgevonden, als echte Riffijnen onder elkaar. Ik stond bekend als degene die er zogenaamd een buurthuis van zou willen maken. Ahmed Marcouch, die vaak in de Nasr Moskee kwam, heeft toen bemiddeld en nog geprobeerd een nieuw bestuur te vormen. Maar dat is op het laatste moment afgeblazen. Een onverwacht bezoek van burgemeester Patijn deed de emoties tussen de verschillende partijen hoog oplaaien. Uiteindelijk won het oude bestuur. We hebben nog een maand lang de mobiele eenheid stationair voor de moskee gehad, en een moskeeverbod voor ongeveer 14 mensen. Ik heb zelf toen die andere moskee geopend.

Maar het is nu rustig geworden. Ik heb daar zelf ook een grote rol in gespeeld. De Nasr Moskee is van een richting die op pacifistische manier de Islam wil verspreiden. Dat is een beweging uit Pakistan en die steunen het bestuur ook. Er zijn ook wel eens predikers geweest die opzien baarden, zoals een prediker uit Saudi Arabie, die een keer geweest is maar daarna geen visum meer kreeg.

Hoe is je persoonlijke geschiedenis?

In ben van 1951, maar in 1971 kwam ik in Nederland, op Rozengracht 221. Daarna verhuisde ik naar Zuidoost, en daarna in de Rustenburgerstraat. Ik deed allerlei werk: van het Hilton tot de fabriek. En ik was illegaal van 1971 tot 1973. Mijn vader was wel legaal.

In 1973 kregen we een woning in de Baweanstraat. Later kreeg ik in het kader van gezinshereniging ook de Nederlandse identiteit. Er moest toen nog voor geprocedeerd worden, omdat mijn leeftijd boven de grens was. Ik was net in hoger beroep toen het generaal pardon van Den Uijl ging spelen. Daar ben ik toen naar over gestapt en toen ben ik in 1975 gelegaliseerd. Toen kon ik gewoon werk gaan doen. Ik werkte bij de Ralley fietsfabriek en dat beviel me goed. Maar die fabriek ging failliet en ik kreeg WW. Van die kans heb ik toen gebruik gemaakt om te gaan studeren: van MAVO naar HAVO naar MBO naar HBO. Ik deed sociale academie en zat van 1990-1997 in het welzijnswerk. In 1997 stapte ik over naar het jongerenwerk in de Indische Buurt, maar ben toen ook afgekeurd op diabetes en mijn hart. Ik kwam in die tijd ook steeds meer in botsing met het moskeebestuur. Ik wilde graag jongeren helpen, maar de moskee vertrouwde me niet. Ik had mooie projecten: bijvoorbeeld leren stratenmaken. Dan kregen ze direct een baan.

Doe je nu ook nog concrete dingen voor jongeren?

Ja, ik begeleid tegenwoordig bijvoorbeeld de stagiars. Het zijn vooral meiden. Mentoren en coachen: dat is het belangrijkste wat jongeren nodig hebben. Dat zou veel professioneler kunnen gebeuren. Dit soort jongeren zouden het beste twee coaches kunnen hebben: een Nederlandse en een Marokkaanse. Want ze leven in twee werelden.

Ik zal nog eens wat vertellen. Ik heb Badr Hari destijds nog Arabisch geleerd. En ik ben ook met hem begonnen te sporten. Jammer genoeg is zijn zus een tijdje geleden overleden. Zijn vader stimuleerde hem enorm. Die was ook actief in het bestuur van Batavia en daarna in de Loods. Daar heb ik zelf dus ook 7 jaar lang gezeten. Een andere bekende Marokkaanse Indische Buurter is Assaidi. Zijn broer is de fanatieke imam van de Pontanusstraat…

Vroeger had je alleen de Marokkaanse Raad in Zeeburg. Nu zijn er veel meer organisaties actief in de Indische Buurt. Ik vind dat een hele goede ontwikkeling. Ik heb geprobeerd daar mede aan de basis van te staan.

 

Interview met Mustapha Khaddari

 

Mustapha Khaddari is adjunct-directeur en lokatieleider van de J.P. Coenschool in de Balistraat. De J.P. Coenschool is de laatste jaren een steeds prettiger omgeving geworden met een steeds bredere mix van leerlingen. We vroegen meester Mustapha Khaddari naar het geheim van zijn sukses en zijn achtergronden.

Beste Mustapha Khaddari, kunt u ons vertellen hoe en wanneer u in de Indische Buurt bent terechtgekomen en kunt u ons ook iets over uw achtergronden vertellen?

Ik ben in augustus 1988 in de Indische Buurt gearriveerd. Ik ben in Chefchaouen geboren. Chefchaouen is een prachtige stad in het noordoosten van Marokko.  De stad werd in 1492 gesticht door Andalusische families uit Spanje. Het is een heel relaxte stad.

Het mooiste aan Chefchaouen is dat alle gebouwen en huizen hemelsblauw zijn geverfd. Hierom wordt Chefchaouen ook wel het Blauwe Paradijs  genoemd. Er valt helder berglicht op de stad, die waardoor je continu een magisch gevoel krijgt. Het bescheiden centrum met de pittoreske Medina en het schitterende Rifgebergte op de achtergrond maken de stad helemaal af.

Omdat mijn vader een militair was hebben wij daarna in allerlei verschillende steden van Marokko gewoond. Ik heb ook een zusje. Zij werkt op het ogenblik als docent Engels in Tetouan.

Hoe was het om in Nederland aan te komen? Heeft u daar nog speciale herinneringen aan, aan de eerste periode?

De laatste maanden voor het vertrek naar Nederland waren niet  makkelijk. Het afscheid van  mijn familie, vrienden en het land waren erg zwaar. Voor mijn vertrek naar Nederland moest ik eerst een jaar verlof vragen aan het ministerie van onderwijs in Marokko. Toen ik de toestemming ontvangen had werd het allemaal nog moeilijker. Het was nu echt serieus dat ik naar Nederland zou gaan.

Ik had een mooie baan als onderwijzer in Tetouan, een prachtige stad aan zee. Een deel van mijn familie woont daar nog steeds en ik heb veel vrienden die daar wonen. Ik heb me destijds vaak afgevraagd waarom ik alles wat ik had achter zou laten voor Nederland. Mijn gedachten maakten overuren. Ik heb later nooit meer getwijfeld, maar mijn keuze toen was alles behalve makkelijk.

Mijn afscheid met mijn collega’s op de school in Tetouan was  bijzonder! De woorden van een van mijn collega’s hebben mij enorm  geraakt. Hij heeft mijn rol op school als coördinator van diverse projecten enorm gewaardeerd. Het briefje heb ik nog als souvenir. Het allermoeilijkste moment was het afscheid van mijn moeder en mijn zus. Dat zal ik nooit vergeten.

Ik kwam  zaterdag op Schiphol en maandag moest ik beginnen. Totaal in een andere wereld. Alles was voor mij anders. Het contact met mijn nieuwe collega’s ging in eerste instantie uitsluitend in het Frans of Engels.

In Marokko had ik Arabische taal en cultuur op de universiteit van Fes (Marokko) gestudeerd. Daarnaast  had ik de lerarenopleiding gedaan en een aantal jaren als onderwijzer gewerkt in Fes en Tetouan.

Hier moest ik van mezelf de Nederlandse taal leren, anders kon ik geen contact maken met de collega’s en de maatschappij. Ik ging ook de applicatiecursus van de Pabo doen. Dat was verplicht. Naast mijn werk overdag ging ik ’s avonds studeren. Later heb ik diverse cursussen en opleidingen gevolgd, o.a. een HBO-opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam voor 2e graads docent, een opleiding beëdigd tolkvertaler (Arabisch / Nederland), een doctoraal bij de Universiteit van Amsterdam en tenslotte de opleiding voor adjunct directeur en directeur.

U bent al lang bij de J.P. Coenschool betrokken, heb ik begrepen…

Ik ben begonnen op mijn huidige school als OALT leerkracht. Ik gaf toen Arabisch taal en cultuur aan de Arabische kinderen. Omdat er weinig materiaal was voor dit vak, heb ik een vereniging voor de Arabische docenten opgericht (VALA). Als voorzitter van de vereniging  had ik geprobeerd Arabische docenten bij elkaar te brengen, lesmateriaal te ontwikkelen en ervaringen met elkaar te delen.

Daarna ben ik ouder coördinator geworden voor een paar jaren. Ik vind nog steeds dat de ouderbetrokkenheid een belangrijke rol speelt om het kind goed te helpen bij zijn ontwikkeling op school.  Dit is een onderwerp dat mij altijd heeft bezig gehouden, al vanaf mijn eerste jaar in Nederland. Ik heb diverse ouderprojecten en -cursussen ontwikkeld en begeleid.  Daarnaast heb ik diverse presentaties en workshops gegeven. En ik ben nog steeds bezig met de verbetering van de ouderbetrokkenheid  op onze school. Sinds 14 jaar ben ik adjunct-directeur en locatieleider van de JPCoenschool in de Indische buurt.

Naast mijn werk ben ik vrijwillig voorzitter van de stichting “Klassiek Rondom de Klas”. Het doel van de stichting is om de kinderen het plezier van samen muziek maken te laten ontdekken. Het geeft ze de kans om mee te doen en zich verder te ontwikkelen .

Hartelijk dank voor dit interview. Heeft u nog tips vanuit uw ervaring die u met de lezers wil delen?

Ja, ik heb er drie:

Tip voor de overheid:  blijf investeren in het onderwijs om alle kinderen goed te voorbereiden voor de toekomst.

Tip voor de ouders:  blijf betrokken bij de school van uw kind.

Tip voor de jeugd: onderwijs is de sleutel voor een goede toekomst.

 

Interview met Said Gauches

Hallo Said, zou je iets willen vertellen over hoe je in Nederland bent terechtgekomen?

Ja, ik ben ongeveer in 1976 of 1977 naar Nederland gekomen. Ik weet nog dat we met zijn alleen op een tweekamerwoning op de Eikenweg woonden. Mijn vader en moeder, ikzelf, vier broers en een zus. Dus met zijn achten. Ik was toen zes jaar. Wat ik me vooral herinner was dat het op een gegeven ogenblik ging sneeuwen. Ik zat op mijn knieën in de sneeuw op een gegeven moment. Dat had ik als jongetje van zes jaar nog nooit gezien en ik vond het schitterend.

Wat deed je vader voor werk?

Mijn vader zat op de productlijn van Heineken, bij de Albert Cuyp. Hij had al heel wat meegemaakt. Begin jaren zestig ging hij al naar Frankrijk om te werken. Dat was werk in de mijnen, dat deden een heleboel Marokkanen. Dat vond hij niet zo leuk, dat werk. Ik denk dat hij eind jaren zestig naar Nederland kwam.

Mijn vader was een taai iemand met heel veel familieleden. Ze gingen overal naartoe waar werk was. Als ze geen werk hadden, ging mijn opa bijvoorbeeld naar Tanger om bij de Spanjaarden te werken. Als er op het land werk was, dan gingen ze daar naartoe. Toen dat nog kon, gingen ze ook wel naar Algerije om te werken.

Waar kom je oorspronkelijk vandaan?

Oorspronkelijk uit Hoceima, maar op mijn derde jaar verhuisden we naar een huis in Tanger. En toen dus naar Nederland. We bleven trouwens niet lang op de Beukenweg. Vandaar kwamen we in de Tilanusstraat terecht, vlakbij. Er waren nog niet zoveel gezinnen toen ik in Nederland kwam trouwens. Veel veel mannen die in een pension zaten. Ik vond het leuk. Er moet nog een foto zijn in een oud Amsterdams Stadsblad waar ik op sta. We zijn aan het voetballen op het Beukenplein en de ondertiteling is zoiets als ‘Eerste gastarbeiderskinderen’.

Waar ben je op school geweest en welke opleiding heb je gevolgd?

Ik begon op de Christiaan de Wetschool en de Tugelaschool. Daar zaten maar een stuk of 10 Marokkanen op. We pakten het eigenlijk heel snel op. Daarna ging ik naar de Achtste Montessorischool. We waren inmiddels weer verhuisd naar de Pontanusstraat, vlakbij de Ponteneur. En daarna kwam ik eind jaren tachtig op de Borneostraat terecht, op zolder. Mijn vader ruilde zijn woning met mijn oom.

Kreeg je verder ook Koranles en Arabisch in die tijd?

Ja, we kregen Koranles in het gebouw naast dat waarin nu de Al Karama moskee zit, het vroegere GG-gebouw. Maar dat weet ik allemaal niet zo goed meer. Ik ken het Arabische alfabet nog wel, maar dat is het zo’n beetje.

Je bent een sociaal iemand en je geeft onder andere leiding aan de Marokkaanse ouderengroep in de Meevaart. Zat dat sociale ook in de familie?

Ja, dat zat wel in de familie. Mijn vader heeft bijvoorbeeld heel veel mensen geholpen het traject naar Europa af te leggen.

Hoe kijk jij tegen de ontwikkelingen in de Marokkaanse samenleving aan?

Ik denk dat er een hoop mis is gegaan in de jaren tachtig. Mensen wisten niet of ze terug zouden gaan of niet. Veel hadden het idee van wel. Ik koop nog een koe, en dan ga ik terug. De gedachte om terug te gaan speelt nog steeds bij een heleboel mensen. Met name hoogopgeleide jongens die het lukt om geld te maken, die gaan weer terug naar Marokko.

De Nederlandse samenleving wist ook niet wat ze met die mensen moesten. Er was geen visie bij de regering, bij niemand. Er werd helemaal niet structureel Nederlands bijvoorbeeld. Het was wel duidelijk dat je in Nederland je gezag niet meer mocht uitoefenen door te slaan, maar hoe het dan wel moest, dat kwam niemand je vertellen. Maar ze waren wel eeuwen zo opgevoed. De ouders hebben hun grip op hun kinderen al in de jaren tachtig verloren, met hulp van hele legers van sociaal psychologen.

Je bent zelf internationaal socialist heb ik begrepen. Zie je wel enig heil in de ontwikkelingen in Nederland?

Kijk, om te beginnen gaat het Marokkaanse paspoort altijd door. Maar misschien is dat over vijf of tien jaar anders. Het gaat wel beter in Marokko met de vrouwen. Er is sprake van een inhaalslag en een zekere secularisatie. De koning probeert de macht rustig uit handen te geven aan het democratische proces, maar dat kan niet in één keer. Want dan komt de FIS aan de macht.

In Nederland zie ik veel Verelendung bij de jonge mensen, vooral de jongens. Het regent van de armoede, en daar krijg je verbitterde jongens van. Jongens zonder kans. Jongens die die kant opgaan, richting ISIS.

 

Interview met Mohamed Hamdi

Goedenavond Mohamed, bedankt dat ik je mag interviewen. Ik heb begrepen dat je oorspronkelijk uit Tetouan afkomstig bent?

Ja dat klopt. Ik ben geboren in 1967 en naar Nederland gekomen in 1989. In Marokko had ik een studie Arabische taal- en letterkunde gedaan, en in 1988 wist ik als opticien in Brussel aan de slag te komen. Dat was maar een paar maanden, en toen kwam ik aan een baan in de Beurs van Berlage, in Amsterdam dus.

Je moest dus op relatief late leeftijd Nederlands leren, begrijp ik.

Dat is wel zo, maar ik had er niet zoveel tijd voor nodig. Na zes maanden Nederland beheerste ik die taal wel. Na mijn eerste baan in de Beurs van Berlage kwam ik bij Casa 400 terecht, tegenwoordig Hotel Casa. Daar heb ik ook een goede tijd gehad.

Je woonde toen niet in de Indische Buurt, toch?

Nee, ik ben pas in 1998 in de Indische Buurt gekomen. Ik werd daar eerst vrijwilliger, bij de Meevaart, bij Mieke Maes. Vervolgens kreeg ik de gelegenheid om kinderwerker en sportbegeleider te worden. En aansluitend dan weer facilitair mederwerker, eerst tien jaar bij de Meevaart in de Balistraat en daarna in de Balk in het Oostelijk Havengebied.

Je hebt aardig wat sporen in het welzijnswerk verdiend.

Ja, maar ik heb dan ook wel heel wat meegemaakt. Ik werd op een gegeven moment zakelijk leider en na het overlijden van de manager zelfs van meerdere lokaties. Dus dat ging goed. Maar het welzijnswerk in Zeeburg stortte totaal in na het jaar 2000. Toen Civic de failliete boel uiteindelijk overnam nam ik ontslag en stapte over naar de welzijnsorganisatie ZuiderAmstel. Dat was in Osdorp. Daar heb ik een jaar of zes gezeten, van 2007 tot 2013.

De organisatie fuseerde op haar beurt weer met Dynamo, en zo kwam ik weer terug in Oost. Momenteel zit ik weer facilitair bij de Kraaipan.

Je zet je ook in voor de Marokkaanse ouderen van de Indische Buurt?

Ja, dat klopt, ik ben voorzitter van de Vereniging voor Vaders in de Indische Buurt, Marokkaanse ouderen. Ik heb veel respect voor die mensen. De meesten hebben hard gewerkt. De Meevaart is de enige plaats waar ze samen kunnen komen. Ik ondersteun ze daar. Daar komt verder geen subsidie aan te pas. Het is meer het huiskameridee, waarbij wij op vaste tijden gebruik mogen maken van een ruimte. In principe is dat iedere avond van zeven tot tien uur. Een paar keer in de maand koken we, en verder organiseren we voorlichting.

Hoe is je persoonlijke situatie?

Ja, ik ben inmiddels 48, ben getrouwd en ik heb een dochter en twee zoons. Mijn vrouw werkt bij Amsta. Mijn dochter is het oudste kind. Ze is 22 jaar en ze volgt momenteel het tweede jaar HBO Sociaal Juridische Hulpverlening. Mijn oudste zoon is 18 jaar en volgt de opleiding detailhandel. Dan heb ik nog een zoon van 17 jaar. Die doet een accountantopleiding.

Tenslotte vind ik het belangrijk te zeggen dat ik praktiserend moslim ben. Ik bid in principe nog altijd vijf keer per dag.

 

Interview met Habiba El Bouchaïba

Goedemiddag mevouw El Bouchaiba. U bent een bekende van Gerard Pronk. Bedankt dat ik u mag interviewen. Kunt u vertellen wanneer u naar Nederland bent gekomen?

Ik kwam in 1970 in Nederland aan. Mijn man had een woning in de Soembawastraat gekregen en daar zijn we toen gaan wonen. Mijn man kwam al in 1963 naar Nederland. Hij heeft vanaf het begin gewerkt bij de kippenfabriek in Oostzaan. Hij heeft eventjes een Nederlandse vriendin gehad, maar in 1966 trouwde hij met mij in Marokko. We kregen vijf meisjes en twee jongens.

Mijn man heeft nooit Nederlands geleerd. Vorig jaar is hij op 65-jarige leeftijd overleden, aan zijn hart.

Hoe vond u Nederland toen u aankwam?

Er waren toen nog niet zoveel Marokkanen. Wel Turken. Ik ben vier jaar lang de enige Marokkaanse vrouw in de Soembawatraat geweest. Pas in 1975 kwam mijn broer daar ook wonen. Zij hadden zeven kinderen.

Nederland was heel anders dan wat ik kende. Bijvoorbeeld een supermarkt. Zaterdag leerde ik Nederlands bij Hassan Bouali. Mijn man en ik gingen samen naar de Dappermarkt. Dat was ook heel bijzonder: alleen maar Nederlandse mensen. Je had er een visboer, je kon er fruit kopen. Ik zie sommige van die mensen nog steeds, die zitten nog steeds in de Dapperstraat.

En dan waren er ook nog alleen maar Nederlandse programma’s op de kabel. Niets in het Arabisch. Mijn kinderen keken ook naar Nederlandse films, zoals Dick Trom, Charlie Chaplin. Van alles en nog

De Nederlandse maatschappij was toen nog erg eerlijk. Dat is allemaal veranderd. Ik weer nog dat ik in Dapperstraat allemaal fruit gehaald had en mijn portemonnee had laten liggen. Ik kreeg die later gewoon terug van die mevrouw. Nederland was vroeger eerlijk.

Er was in die tijd nog geen moskee, maar als ik het me goed herinner kwamen de Marokkanen bij elkaar in de Minahassastraat. Er was daar één kamer voor de vrouwen en twee voor de mannen. Maar de voorganger daar, Imam Chtassai, die ging op een gegeven moment weer terug naar Marokko, naar Tetouan.

Waar komt u vandaan in Marokko?

Wij kwamen uit Al Hoceima. Mijn vader was eerst visser en werkte later in zijn leven in de mijnen in Spanje. Die was op een gegeven moment dood en ik heb hem toen niet meer gezien. De vader van mijn moeder, dat was een belangrijke man. Hij was nog president geweest ten tijde van de oorlog met Spanje en mijn opa van mijn moeder was ook een belangrijk man in die oorlog. Hij heeft zich doodgewerkt voor zijn gezin van 12 kinderen. We waren niet onbemiddeld thuis.

Was u in Nederland alleen huisvrouw of werkte u ook?

Ik heb lange tijd thuiswerk gedaan. Garnalen pellen. Je kreeg daar 5 gulden per kilo voor. In het weekend was mijn man thuis en toen kwam de man met de rode vrachtwagen met garnalen voor de eerste keer. Mijn man wilde gelijk al vijf of zes zakken aannemen, maar dat vond die man niet goed. “Neem er eerst maar één.” De garnalen moesten in de ijskast.

Ik had al ervaring met het  pellen van garnalen, want mijn vader was visser in Marokko. Dus die ene zak was zo gepeld. De volgende dag kreeg ik er al twee. Het mooie was dat die man het geld niet aan man mijn gaf, maar direct aan mij. Hij was erg tevreden met me. Op een gegeven moment werden het drie zakken per dag, en later zelfs vier. Ik verdiende zo zeshonderd of zevenhonderd gulden in de week bij.

Gerard Pronk ondersteunde uw familie in die periode heb ik begrepen.

Ja, Gerard zat altijd in het buurthuis op het Obiplein en hij kwam overal in de buurt. Hij ging bijvoorbeeld met mijn kind op stap, die was zeven jaar. Gerard heeft ons veel geholpen met van alles en nog wat, omdat ik serieuze vragen stelde. Hij hielp me ook naar school, begin jaren tachtig. Ik had natuurlijk geen diploma’s. Ik was inmiddels gestopt met het garnalenpellen omdat dat thuis niet meer gedaan werd. Ik had wel naar de fabriek kunnen gaan, maar dat moest je daar met de auto helemaal naartoe en je moest ook nog eens de hele dag staan. En mijn man vond het ook niet goed. Die vond dat ik op de kinderen moest letten.

Veranderde uw man ook wel eens van baan?

Ja, mijn man werkte 12 jaar in de kippenfabriek en daarna heeft hij drie jaar in Enschede in een meubelfabriek gewerkt. Daarna kwam hij in Oostzaan terechtgekomen bij een fabriek voor kabelrollen. En daarna nog een beetje werk hier en daar, schoonmaakwerkzaamheden. Mijn man had net als ik geen opleiding en geen diploma.

Ik begrijp dat u altijd naar de Nasr Moskee gaat?

Ja, ik ben er vorige week nog geweest. Toen gingen we bidden voor die jongen die zijn hoofd eraf gehakt was. Zijn vader is een groot man in de hash. Er waren ook mensen van het consulaat. En politie incognito. Die man wil trouwens niet zeggen waarom zijn zoon vermoord is. Je moet weten dat alle Marokkanen in hasjiesj handelen. Het is daar te koud voor andere groenten. Iedereen werkt mee, ook de vrouwen. Marokkanen handelen ook in cocaïne.

We hebben samen voor de moskee gespaard. Ik heb zelf ook mijn goud gegeven en andere mensen veel geld. Ook de gemeente heeft onderhands subsidie gegeven. En de moskee is nu alweer te klein.

U heeft een heleboel kinderen. Kunt u daar iets over vertellen?

Ja hoor. Mijn dochter Meriam, die op IJburg woont, werkt bij de GGD in het Flevohuis, met kinderen die niet goed leren. Mijn zoon Mohammed, die op het Ambonplein woont, is ooit begonnen op Schiphol, bij het inchecken van de koffers en had bijna een baan bij de gemeente gehad. Hij werkt tegenwoordig bij de beveiliging, in winkels en ook in musea. Hij heeft een mooi uniform en altijd werk, maar bij de Bijenkorf vindt hij het maar niets. Daar wordt namelijk heel veel gestolen en daar houdt hij niet van. Hij werkt ook met camerabeveiliging. Mijn zoon Mohammed heeft vier kinderen. Karim, die tegenwoordig in Noord woont, werkt ook alweer 15 jaar op Schiphol. Hij is pas getrouwd en ze hebben een kind. Hassana is getrouwd. Die woont tegenwoordig in Den Bosch. En dan heb ik nog Karima, die op de Zeeburgerwijk woont en drie kinderen heeft. Ze is gescheiden en heeft een Nederlandse vriend, een man van 55 jaar in Den Haag. En dan nog Amilla en Chadisja.

Ik heb mijn kinderen altijd heel streng opgevoed. Mohammed moest zelfs weleens op straat slapen omdat hij te laat thuis was. Op straat corrigeer ik ook altijd kinderen die slechte dingen doen, zoals blikjes weggooien en fietsen stelen. Er zijn hier heel veel mensen naartoe gekomen voor werk. Ze hebben allemaal hard gewerkt, maar het was voor een hoop van hen beter geweest wanneer ze waren teruggegaan, omdat ze in Nederland te weinig zicht hadden op hun kinderen en hun vrouw. En nu willen ze niet meer terug, omdat de kinderen hier zijn geboren en opgegroeid.

Wat vindt u van de huidige tijd?

In de eerste plaats vind ik dat de mensen hun geld hier moeten houden en niet naar Marokko blijven sturen. Het is daarbij een groot probleem voor de gemeenschap dat er niet genoeg werk voor handen is. Voor de meisjes lukt het wel. Maar de jongens hebben problemen. Ze willen niet werken voor weinig geld.

Maar onze imam Mohammed van de Nasr Moskee zegt: jullie moet het gaan opbouwen hier in Nederland. En ophouden met janken!

Interview met Ali Bouali

Interview met Fatima Elatik

Interview met Badr Hari

Interview met Ajouad El Miloudi

Interview met Omar El Miloudi

Interview met Mustapha Aljeydin

Interview met Moubarak Boussoufa

Interview met Mohamed Echarrouti

Interview met Mohammed Lakhbi

Met wie nog meer?

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s